2 Kronieken 18:17
“En de koning van Israël zei tot Jehoshafat: Heb ik u niet gezegd, dat hij over mij niets goeds profeteren zou, maar slechts kwaad?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 18 — omringende verzen
En de bode die gegaan was om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden van de profeten zijn eensgezind gunstig voor de koning; laat uw woord dan toch zijn als dat van een van hen, en spreek iets goeds.
13En Micha zei: Zo waarlijk als de HEER leeft, wat mijn God zegt, dat zal ik spreken.
14En toen hij bij de koning gekomen was, zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth-Gilead optrekken ten strijde, of zal ik het nalaten? En hij zei: Trekt op, en gij zult voorspoedig zijn, en zij zullen in uw hand worden overgegeven.
15En de koning zei tot hem: Hoe dikwijls moet ik u bezweren, dat gij mij niets dan de waarheid zegt in de naam van de HEER?
16Toen zei hij: Ik zag geheel Israël verstrooid op de bergen, als schapen die geen herder hebben; en de HEER zei: Dezen hebben geen meester; laat hen dan een ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.
En de koning van Israël zei tot Jehoshafat: Heb ik u niet gezegd, dat hij over mij niets goeds profeteren zou, maar slechts kwaad?
Wederom zei hij: Hoor dan het woord van de HEER; ik zag de HEER zitten op Zijn troon, en al het hemelse heer stond aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerhand.
19En de HEER zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, verleiden, opdat hij optrekke en valle bij Ramoth-Gilead? En de een sprak aldus, en de ander sprak alzo.
20Toen trad er een geest naar voren en stelde zich voor de HEER, en zei: Ik zal hem verleiden. En de HEER zei tot hem: Waarmee?
21En hij zei: Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En de Heer zei: Gij zult hem verleiden, en gij zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo.
22Nu dan, zie, de HEER heeft een leugengeest in de mond van deze uw profeten gelegd, en de HEER heeft kwaad over u gesproken.