Terug naar 2 Kronieken 23
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 23:13

En zij keek toe, en zie, de koning stond bij zijn pilaar bij de ingang, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk des lands was verblijd en blies met trompetten, ook de zangers met muziekinstrumenten, en die onderwezen om te lofzingen. Toen verscheurde Athalia haar klederen en riep: Verraad! Verraad!

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 23 — omringende verzen

8

En de Levieten en gans Juda deden naar alles wat de priester Jojada geboden had, en zij namen een ieder zijn mannen die op de sabbat aantraden, met hen die op de sabbat afgingen; want de priester Jojada had de afdelingen niet ontslagen.

9

Ook gaf de priester Jojada aan de oversten van honderd de speren en de rondassen en de schilden die van koning David geweest waren, die in het huis Gods waren.

10

En hij stelde al het volk op, een ieder met zijn wapen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, langs het altaar en het huis, bij de koning rondom.

11

Toen brachten zij de zoon des konings naar buiten en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en maakten hem koning. En Jojada en zijn zonen zalfden hem en zeiden: Leve de koning!

12

Toen nu Athalia het geroep van het volk hoorde, dat toesnelde en de koning prees, kwam zij tot het volk in het huis des HEREN.

13

En zij keek toe, en zie, de koning stond bij zijn pilaar bij de ingang, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk des lands was verblijd en blies met trompetten, ook de zangers met muziekinstrumenten, en die onderwezen om te lofzingen. Toen verscheurde Athalia haar klederen en riep: Verraad! Verraad!

14

Toen bracht de priester Jojada de oversten van honderd, die over het leger gesteld waren, naar buiten, en zeide tot hen: Brengt haar uit tussen de gelederen door, en wie haar volgt, die worde met het zwaard gedood. Want de priester had gezegd: Doodt haar niet in het huis des HEREN.

15

En zij legden de handen aan haar, en toen zij gekomen was tot de ingang van de Paardenpoort bij het huis des konings, doodden zij haar daar.

16

En Jojada sloot een verbond tussen hem en tussen al het volk en tussen de koning, dat zij het volk des HEREN zouden zijn.

17

Toen ging al het volk naar het huis van Baäl en braken het af, en zijn altaren en zijn beelden verbrijzelden zij, en Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren.

18

Ook stelde Jojada de ambten van het huis des HEREN onder de hand van de priesters, de Levieten, die David verdeeld had over het huis des HEREN, om de brandoffers des HEREN te offeren, zoals geschreven staat in de wet van Mozes, met blijdschap en met gezang, naar de verordening van David.