2 Kronieken 23:17
“Toen ging al het volk naar het huis van Baäl en braken het af, en zijn altaren en zijn beelden verbrijzelden zij, en Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 23 — omringende verzen
Toen nu Athalia het geroep van het volk hoorde, dat toesnelde en de koning prees, kwam zij tot het volk in het huis des HEREN.
13En zij keek toe, en zie, de koning stond bij zijn pilaar bij de ingang, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk des lands was verblijd en blies met trompetten, ook de zangers met muziekinstrumenten, en die onderwezen om te lofzingen. Toen verscheurde Athalia haar klederen en riep: Verraad! Verraad!
14Toen bracht de priester Jojada de oversten van honderd, die over het leger gesteld waren, naar buiten, en zeide tot hen: Brengt haar uit tussen de gelederen door, en wie haar volgt, die worde met het zwaard gedood. Want de priester had gezegd: Doodt haar niet in het huis des HEREN.
15En zij legden de handen aan haar, en toen zij gekomen was tot de ingang van de Paardenpoort bij het huis des konings, doodden zij haar daar.
16En Jojada sloot een verbond tussen hem en tussen al het volk en tussen de koning, dat zij het volk des HEREN zouden zijn.
Toen ging al het volk naar het huis van Baäl en braken het af, en zijn altaren en zijn beelden verbrijzelden zij, en Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren.
Ook stelde Jojada de ambten van het huis des HEREN onder de hand van de priesters, de Levieten, die David verdeeld had over het huis des HEREN, om de brandoffers des HEREN te offeren, zoals geschreven staat in de wet van Mozes, met blijdschap en met gezang, naar de verordening van David.
19En hij stelde poortwachters aan bij de poorten van het huis des HEREN, opdat niemand die op enigerlei wijze onrein was, naar binnen zou gaan.
20En hij nam de oversten over honderden, en de edelen, en de bestuurders van het volk, en al het volk des lands, en hij bracht de koning neer uit het huis des HEREN; en zij kwamen door de hoge poort naar het huis des konings, en zij zetten de koning op de troon des koninkrijks.
21En al het volk des lands verheugde zich, en de stad had rust, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden.