2 Kronieken 24:13
“En de werklieden werkten, en het herstelwerk vorderde door hun hand, en zij stelden het huis Gods in zijn vorige staat, en versterkten het.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 24 — omringende verzen
En op bevel des konings maakten zij een kist, en stelden die buiten bij de poort van het huis des HEREN.
9En zij deden een oproep in Juda en Jeruzalem, om tot de HEER de belasting in te brengen die Mozes, de dienaar Gods, Israël in de woestijn opgelegd had.
10En al de vorsten en al het volk verheugden zich, en zij brachten in en wierpen in de kist, totdat zij klaar waren.
11En het geschiedde, dat telkens wanneer de kist door de hand der Levieten naar het toezicht des konings gebracht werd, en wanneer zij zagen dat er veel geld was, de schrijver des konings en de beambte van de hogepriester kwamen en de kist leegden, en die namen en naar zijn plaats terugbrachten. Zo deden zij dag aan dag, en zij verzamelden geld in overvloed.
12En de koning en Jojada gaven het aan hen die het werk van de dienst van het huis des HEREN deden, en zij huurden steenhouwers en timmerlieden om het huis des HEREN te herstellen, en ook allen die in ijzer en koper werkten, om het huis des HEREN te verbeteren.
En de werklieden werkten, en het herstelwerk vorderde door hun hand, en zij stelden het huis Gods in zijn vorige staat, en versterkten het.
En toen zij het voltooid hadden, brachten zij het overige geld voor de koning en Jojada, waarvan voorwerpen gemaakt werden voor het huis des HEREN, voorwerpen voor de dienst en om offers mee te brengen, en schalen, en voorwerpen van goud en zilver. En zij offerden brandoffers in het huis des HEREN gedurig, al de dagen van Jojada.
15Maar Jojada werd oud en was verzadigd van dagen toen hij stierf; honderd en dertig jaar oud was hij toen hij stierf.
16En zij begroeven hem in de stad Davids bij de koningen, omdat hij goed gedaan had in Israël, zowel jegens God als jegens Zijn huis.
17Na de dood van Jojada nu kwamen de vorsten van Juda en bogen zich neer voor de koning. Toen luisterde de koning naar hen.
18En zij verlieten het huis des HEREN, de God van hun vaderen, en dienden de gewijde bomen en de afgoden; en er kwam toorn over Juda en Jeruzalem om deze hun overtreding.