2 Kronieken 29:34
“Doch de priesters waren te weinig in getal, zodat zij niet alle brandoffers konden villen; waarom hun broederen de Levieten hen hielpen, totdat het werk volbracht was, en totdat de overige priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren oprechtere harten om zich te heiligen dan de priesters.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 29 — omringende verzen
En toen zij het offeren geëindigd hadden, bogen de koning en allen die bij hem tegenwoordig waren zich neder en aanbaden.
30Bovendien geboden Hiskia de koning en de vorsten de Levieten de HEER te loven met de woorden van David en van Asaf de ziener. En zij loofden met blijdschap, en zij bogen hun hoofden en aanbaden.
31Toen antwoordde Hiskia en zeide: Nu gij u aan de HEER gewijd hebt, nadert en brengt slachtoffers en dankoffers in het huis van de HEER. En de gemeente bracht slachtoffers en dankoffers; en zovelen als vrijwillig van harte waren, brandoffers.
32En het getal der brandoffers die de gemeente bracht, was zeventig stieren, honderd rammen en tweehonderd lammeren; dit alles was een brandoffer voor de HEER.
33En de gewijde gaven waren zeshonderd runderen en drieduizend schapen.
Doch de priesters waren te weinig in getal, zodat zij niet alle brandoffers konden villen; waarom hun broederen de Levieten hen hielpen, totdat het werk volbracht was, en totdat de overige priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren oprechtere harten om zich te heiligen dan de priesters.
En ook waren de brandoffers in overvloed, met het vet der vredeoffers en de drankoffers bij elk brandoffer. Zo werd de dienst van het huis van de HEER geregeld.
36En Hiskia verheugde zich, en al het volk, dat God het volk bereid had; want de zaak was haastig geschied.