Terug naar 2 Kronieken 31
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 31:13

En Jehiël, en Azazja, en Nahat, en Asaël, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliël, en Jismachja, en Mahat, en Benaja waren opzichters onder het gezag van Kononja en Simeï zijn broeder, op bevel van koning Hizkia en Azarja, de opzichter van het huis Gods.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 31 — omringende verzen

8

En toen Hizkia en de vorsten kwamen en de hopen zagen, loofden zij de HEER en Zijn volk Israël.

9

Toen ondervroeg Hizkia de priesters en de Levieten over de hopen.

10

En Azaria, de hogepriester van het huis van Zadok, antwoordde hem en zei: Sedert het volk begonnen is de offeranden naar het huis van de HEER te brengen, hebben wij genoeg gehad om te eten, en er is overvloed overgebleven; want de HEER heeft Zijn volk gezegend, en wat overgebleven is, is deze grote voorraad.

11

Toen beval Hizkia kamers in te richten in het huis van de HEER; en zij richtten ze in,

12

En brachten de offeranden, de tienden en de gewijde dingen er trouwelijk in: over welke Kononja de Leviet opzichter was, en Simeï zijn broeder was de tweede.

13

En Jehiël, en Azazja, en Nahat, en Asaël, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliël, en Jismachja, en Mahat, en Benaja waren opzichters onder het gezag van Kononja en Simeï zijn broeder, op bevel van koning Hizkia en Azarja, de opzichter van het huis Gods.

14

En Kore, de zoon van Jimna de Leviet, de poortwachter aan de oostzijde, was aangesteld over de vrijwillige gaven voor God, om de heffingen van de HEER en de allerheiligste dingen uit te delen.

15

En naast hem waren Eden, en Miniamin, en Jesua, en Semaja, Amarja en Secanja, in de steden der priesters, in hun vaste ambt, om aan hun broeders uit te delen naar de afdelingen, zowel aan de groten als aan de kleinen:

16

Behalve aan hen die ingeschreven waren naar de geslachtslijst der mannen, van drie jaar oud en daarboven, aan ieder die het huis van de HEER binnenging, hun dagelijks deel voor hun dienst in hun taken naar hun afdelingen;

17

Zowel voor de geslachtslijst der priesters naar het huis van hun vaderen, als voor de Levieten van twintig jaar oud en daarboven, in hun taken naar hun afdelingen;

18

En voor de geslachtslijst van al hun kleinen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochters, door de gehele gemeente heen; want in hun vaste ambt heiligden zij zich in heiligheid;