2 Kronieken 33:20
“Zo ontsliep Manasse met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn eigen huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 33 — omringende verzen
En hij deed de vreemde goden en het afgodbeeld uit het huis des HEREN weg, en alle altaren die hij gebouwd had op de berg van het huis des HEREN en in Jeruzalem, en hij wierp ze buiten de stad.
16En hij herstelde het altaar des HEREN, en hij offerde daarop dankoffers en lofoffers, en hij gebood Juda de HEER, de God van Israël, te dienen.
17Evenwel offerde het volk nog op de hoogten, maar alleen aan de HEER, hun God.
18De overige geschiedenissen nu van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, en de woorden van de zieners die tot hem spraken in de Naam van de HEER, de God van Israël, zie, die zijn geschreven in de kronieken van de koningen van Israël.
19Ook zijn gebed, en hoe God Zich door hem liet verbidden, en al zijn zonden en zijn overtreding, en de plaatsen waar hij hoogten gebouwd en gewijde palen en gesneden beelden opgericht had, voordat hij zich vernederde, zie, die zijn beschreven in de geschriften van de zieners.
Zo ontsliep Manasse met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn eigen huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem.
22En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN, zoals zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde aan alle gesneden beelden die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.
23En hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEREN, zoals zijn vader Manasse zich vernederd had; maar Amon maakte zich meer en meer schuldig.
24En zijn dienaren maakten een samenzwering tegen hem aan en doodden hem in zijn eigen huis.
25Maar het volk des lands doodde allen die een samenzwering tegen koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.