2 Kronieken 33:16
“En hij herstelde het altaar des HEREN, en hij offerde daarop dankoffers en lofoffers, en hij gebood Juda de HEER, de God van Israël, te dienen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 33 — omringende verzen
Daarom bracht de HEER over hen de legeroversten van de koning van Assyrië, die Manasse in de doornen gevangen namen, hem met koperen ketenen bonden en hem naar Babel voerden.
12En toen hij in benauwdheid was, smeekte hij het aangezicht van de HEER, zijn God, en hij vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaderen.
13En hij bad tot Hem, en Hij liet Zich door hem verbidden en verhoorde zijn smeken, en Hij bracht hem terug naar Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEER God is.
14Daarna bouwde hij een muur buiten de stad Davids, aan de westkant van de Gihon, in het dal, tot aan de ingang van de Vispoort, en hij voerde hem rondom de Ofel en maakte hem zeer hoog; ook stelde hij krijgsoversten aan in alle versterkte steden van Juda.
15En hij deed de vreemde goden en het afgodbeeld uit het huis des HEREN weg, en alle altaren die hij gebouwd had op de berg van het huis des HEREN en in Jeruzalem, en hij wierp ze buiten de stad.
En hij herstelde het altaar des HEREN, en hij offerde daarop dankoffers en lofoffers, en hij gebood Juda de HEER, de God van Israël, te dienen.
Evenwel offerde het volk nog op de hoogten, maar alleen aan de HEER, hun God.
18De overige geschiedenissen nu van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, en de woorden van de zieners die tot hem spraken in de Naam van de HEER, de God van Israël, zie, die zijn geschreven in de kronieken van de koningen van Israël.
19Ook zijn gebed, en hoe God Zich door hem liet verbidden, en al zijn zonden en zijn overtreding, en de plaatsen waar hij hoogten gebouwd en gewijde palen en gesneden beelden opgericht had, voordat hij zich vernederde, zie, die zijn beschreven in de geschriften van de zieners.
20Zo ontsliep Manasse met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn eigen huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
21Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem.