2 Kronieken 33:12
“En toen hij in benauwdheid was, smeekte hij het aangezicht van de HEER, zijn God, en hij vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaderen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 33 — omringende verzen
En hij plaatste een gesneden beeld, het afgodbeeld dat hij gemaakt had, in het huis Gods, waarvan God tot David en tot zijn zoon Salomo gezegd had: In dit huis, en in Jeruzalem, dat Ik uit al de stammen van Israël verkoren heb, zal Ik Mijn Naam voor eeuwig stellen.
8Evenmin zal Ik de voet van Israël ooit nog verwijderen uit het land dat Ik voor uw vaderen bestemd heb, mits zij er slechts op toezien te doen al wat Ik hun geboden heb, overeenkomstig de gehele wet en de inzettingen en verordeningen, door de hand van Mozes.
9Zo deed Manasse Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenen die de HEER voor het aangezicht van de kinderen Israëls verdelgd had.
10En de HEER sprak tot Manasse en tot zijn volk, maar zij luisterden niet.
11Daarom bracht de HEER over hen de legeroversten van de koning van Assyrië, die Manasse in de doornen gevangen namen, hem met koperen ketenen bonden en hem naar Babel voerden.
En toen hij in benauwdheid was, smeekte hij het aangezicht van de HEER, zijn God, en hij vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaderen.
En hij bad tot Hem, en Hij liet Zich door hem verbidden en verhoorde zijn smeken, en Hij bracht hem terug naar Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEER God is.
14Daarna bouwde hij een muur buiten de stad Davids, aan de westkant van de Gihon, in het dal, tot aan de ingang van de Vispoort, en hij voerde hem rondom de Ofel en maakte hem zeer hoog; ook stelde hij krijgsoversten aan in alle versterkte steden van Juda.
15En hij deed de vreemde goden en het afgodbeeld uit het huis des HEREN weg, en alle altaren die hij gebouwd had op de berg van het huis des HEREN en in Jeruzalem, en hij wierp ze buiten de stad.
16En hij herstelde het altaar des HEREN, en hij offerde daarop dankoffers en lofoffers, en hij gebood Juda de HEER, de God van Israël, te dienen.
17Evenwel offerde het volk nog op de hoogten, maar alleen aan de HEER, hun God.