Terug naar 2 Kronieken 33
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 33:8

Evenmin zal Ik de voet van Israël ooit nog verwijderen uit het land dat Ik voor uw vaderen bestemd heb, mits zij er slechts op toezien te doen al wat Ik hun geboden heb, overeenkomstig de gehele wet en de inzettingen en verordeningen, door de hand van Mozes.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 33 — omringende verzen

3

Want hij bouwde de hoogten weer op die Hizkia zijn vader had afgebroken, en hij richtte altaren op voor de Baäls, en maakte gewijde palen, en aanbad het gehele heir des hemels, en diende hen.

4

Ook bouwde hij altaren in het huis van de HEER, waarvan de HEER gezegd had: In Jeruzalem zal Mijn naam voor eeuwig zijn.

5

En hij bouwde altaren voor het gehele heir des hemels in de twee voorhoven van het huis van de HEER.

6

En hij deed zijn kinderen door het vuur gaan in het dal van de zoon van Hinnom; ook pleegde hij waarzeggerij, en gebruikte toverij, en bedreef hekserij, en had omgang met een waarzeggende geest, en met tovenaars; hij deed veel kwaads in de ogen van de HEER, om Hem tot toorn te verwekken.

7

En hij plaatste een gesneden beeld, het afgodbeeld dat hij gemaakt had, in het huis Gods, waarvan God tot David en tot zijn zoon Salomo gezegd had: In dit huis, en in Jeruzalem, dat Ik uit al de stammen van Israël verkoren heb, zal Ik Mijn Naam voor eeuwig stellen.

8

Evenmin zal Ik de voet van Israël ooit nog verwijderen uit het land dat Ik voor uw vaderen bestemd heb, mits zij er slechts op toezien te doen al wat Ik hun geboden heb, overeenkomstig de gehele wet en de inzettingen en verordeningen, door de hand van Mozes.

9

Zo deed Manasse Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenen die de HEER voor het aangezicht van de kinderen Israëls verdelgd had.

10

En de HEER sprak tot Manasse en tot zijn volk, maar zij luisterden niet.

11

Daarom bracht de HEER over hen de legeroversten van de koning van Assyrië, die Manasse in de doornen gevangen namen, hem met koperen ketenen bonden en hem naar Babel voerden.

12

En toen hij in benauwdheid was, smeekte hij het aangezicht van de HEER, zijn God, en hij vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaderen.

13

En hij bad tot Hem, en Hij liet Zich door hem verbidden en verhoorde zijn smeken, en Hij bracht hem terug naar Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEER God is.