Terug naar 2 Kronieken 6
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 6:13

Want Salomo had een koperen verhoging gemaakt, vijf el lang en vijf el breed en drie el hoog, en had die in het midden van de voorhof geplaatst; en hij stond daarop en knielde neer op zijn knieën voor heel de vergadering van Israël, en spreidde zijn handen uit naar de hemel.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 6 — omringende verzen

8

Maar de HEER zei tot mijn vader David: Omdat het in uw hart was om een huis te bouwen voor Mijn Naam, hebt u goed gedaan dat het in uw hart was.

9

Nochtans zult u het huis niet bouwen, maar uw zoon die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal het huis voor Mijn Naam bouwen.

10

De HEER heeft dus Zijn woord dat Hij gesproken heeft, vervuld, want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en zit op de troon van Israël, zoals de HEER beloofd heeft, en heb het huis gebouwd voor de Naam van de HEER, de God van Israël.

11

En daarin heb ik de ark geplaatst, waarin het verbond des HEREN is dat Hij met de kinderen Israëls gesloten heeft.

12

En hij stond voor het altaar des HEREN, ten overstaan van heel de vergadering van Israël, en hij spreidde zijn handen uit.

13

Want Salomo had een koperen verhoging gemaakt, vijf el lang en vijf el breed en drie el hoog, en had die in het midden van de voorhof geplaatst; en hij stond daarop en knielde neer op zijn knieën voor heel de vergadering van Israël, en spreidde zijn handen uit naar de hemel.

14

En hij zei: O HEER, God van Israël, er is geen God zoals U in de hemel, noch op de aarde, Die het verbond houdt en goedertierenheid bewijst aan Uw dienaren die voor Uw aangezicht wandelen met hun ganse hart.

15

U Die aan Uw dienaar David, mijn vader, gehouden hebt wat U hem beloofd hebt; en U hebt met Uw mond gesproken en met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is.

16

Nu dan, o HEER, God van Israël, houd aan Uw dienaar David, mijn vader, wat U hem beloofd hebt, zeggende: U zal geen man ontbreken voor Mijn aangezicht om op de troon van Israël te zitten, mits uw kinderen op hun weg letten om in Mijn wet te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt.

17

Nu dan, o HEER, God van Israël, laat Uw woord bevestigd worden dat U tot Uw dienaar David gesproken hebt.

18

Maar zal God waarlijk bij de mensen op de aarde wonen? Zie, de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten; hoeveel te minder dit huis dat ik gebouwd heb!