2 Kronieken 6:17
“Nu dan, o HEER, God van Israël, laat Uw woord bevestigd worden dat U tot Uw dienaar David gesproken hebt.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 6 — omringende verzen
En hij stond voor het altaar des HEREN, ten overstaan van heel de vergadering van Israël, en hij spreidde zijn handen uit.
13Want Salomo had een koperen verhoging gemaakt, vijf el lang en vijf el breed en drie el hoog, en had die in het midden van de voorhof geplaatst; en hij stond daarop en knielde neer op zijn knieën voor heel de vergadering van Israël, en spreidde zijn handen uit naar de hemel.
14En hij zei: O HEER, God van Israël, er is geen God zoals U in de hemel, noch op de aarde, Die het verbond houdt en goedertierenheid bewijst aan Uw dienaren die voor Uw aangezicht wandelen met hun ganse hart.
15U Die aan Uw dienaar David, mijn vader, gehouden hebt wat U hem beloofd hebt; en U hebt met Uw mond gesproken en met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is.
16Nu dan, o HEER, God van Israël, houd aan Uw dienaar David, mijn vader, wat U hem beloofd hebt, zeggende: U zal geen man ontbreken voor Mijn aangezicht om op de troon van Israël te zitten, mits uw kinderen op hun weg letten om in Mijn wet te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt.
Nu dan, o HEER, God van Israël, laat Uw woord bevestigd worden dat U tot Uw dienaar David gesproken hebt.
Maar zal God waarlijk bij de mensen op de aarde wonen? Zie, de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten; hoeveel te minder dit huis dat ik gebouwd heb!
19Heb toch acht op het gebed van Uw dienaar en op zijn smeking, o HEER, mijn God, om te horen naar het geroep en het gebed dat Uw dienaar voor Uw aangezicht bidt,
20Opdat Uw ogen dag en nacht geopend zijn over dit huis, over de plaats waarvan U gezegd hebt dat U Uw Naam daar plaatsen zoudt, om te horen naar het gebed dat Uw dienaar naar deze plaats bidt.
21Hoor dan naar de smekingen van Uw dienaar en van Uw volk Israël, die zij naar deze plaats richten; hoor U uit Uw woonplaats, uit de hemel, en wanneer U hoort, vergeef.
22Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt, en hem een eed opgelegd wordt om hem te doen zweren, en de eed voor Uw altaar in dit huis komt,