2 Kronieken 6:26
“Wanneer de hemel gesloten is en er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij bidden naar deze plaats en belijden Uw Naam en keren zich van hun zonde af, wanneer U hen verdrukt,”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 6 — omringende verzen
Hoor dan naar de smekingen van Uw dienaar en van Uw volk Israël, die zij naar deze plaats richten; hoor U uit Uw woonplaats, uit de hemel, en wanneer U hoort, vergeef.
22Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt, en hem een eed opgelegd wordt om hem te doen zweren, en de eed voor Uw altaar in dit huis komt,
23Hoor U dan uit de hemel en handel, en richt Uw dienaren, door de goddeloze te vergelden en zijn gedrag op zijn hoofd te brengen, en door de rechtvaardige rechtvaardig te verklaren en hem te geven naar zijn gerechtigheid.
24En indien Uw volk Israël voor de vijand verslagen wordt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij keren zich om en belijden Uw Naam, en bidden en smeken voor Uw aangezicht in dit huis,
25Hoor U dan uit de hemel en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U hun en hun vaderen gegeven hebt.
Wanneer de hemel gesloten is en er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij bidden naar deze plaats en belijden Uw Naam en keren zich van hun zonde af, wanneer U hen verdrukt,
Hoor U dan uit de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, wanneer U hun de goede weg leert waarin zij wandelen moeten, en geef regen op Uw land dat U Uw volk tot een erfdeel gegeven hebt.
28Wanneer er hongersnood in het land is, wanneer er pest is, wanneer er brandkoren of meeldauw is, sprinkhanen of kevers; wanneer hun vijanden hen in het land van hun steden belegeren; welke plaag of welke ziekte er ook zij,
29Welk gebed of welke smeking ook gedaan wordt door enig mens of door geheel Uw volk Israël, wanneer een ieder zijn eigen plaag en zijn eigen smart kent, en zijn handen uitspreidt naar dit huis,
30Hoor U dan uit de hemel, Uw woonplaats, en vergeef, en geef aan een ieder naar al zijn wegen, wiens hart U kent (want U alleen kent de harten van de mensenkinderen),
31Opdat zij U vrezen om in Uw wegen te wandelen, al de dagen dat zij leven in het land dat U onze vaderen gegeven hebt.