Terug naar 2 Kronieken 6
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 6:32

Voorts ook aangaande de vreemdeling die niet van Uw volk Israël is, maar die uit een ver land komt vanwege Uw grote Naam, Uw machtige hand en Uw uitgestrekte arm; wanneer zij komen en in dit huis bidden,

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 6 — omringende verzen

27

Hoor U dan uit de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, wanneer U hun de goede weg leert waarin zij wandelen moeten, en geef regen op Uw land dat U Uw volk tot een erfdeel gegeven hebt.

28

Wanneer er hongersnood in het land is, wanneer er pest is, wanneer er brandkoren of meeldauw is, sprinkhanen of kevers; wanneer hun vijanden hen in het land van hun steden belegeren; welke plaag of welke ziekte er ook zij,

29

Welk gebed of welke smeking ook gedaan wordt door enig mens of door geheel Uw volk Israël, wanneer een ieder zijn eigen plaag en zijn eigen smart kent, en zijn handen uitspreidt naar dit huis,

30

Hoor U dan uit de hemel, Uw woonplaats, en vergeef, en geef aan een ieder naar al zijn wegen, wiens hart U kent (want U alleen kent de harten van de mensenkinderen),

31

Opdat zij U vrezen om in Uw wegen te wandelen, al de dagen dat zij leven in het land dat U onze vaderen gegeven hebt.

32

Voorts ook aangaande de vreemdeling die niet van Uw volk Israël is, maar die uit een ver land komt vanwege Uw grote Naam, Uw machtige hand en Uw uitgestrekte arm; wanneer zij komen en in dit huis bidden,

33

Hoor dan U vanuit de hemelen, vanuit Uw woonplaats, en doe naar alles waarvoor de vreemdeling tot U roept; opdat alle volken der aarde Uw naam mogen kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël doet, en mogen weten dat dit huis dat ik gebouwd heb naar Uw naam genoemd wordt.

34

Als Uw volk uittrekt ten oorlog tegen zijn vijanden, op de weg die U hen zult zenden, en zij tot U bidden in de richting van deze stad die U gekozen hebt, en het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb;

35

Hoor dan vanuit de hemelen hun gebed en hun smeekbede, en handhaaf hun zaak.

36

Als zij tegen U zondigen — want er is geen mens die niet zondigt — en U toornig op hen bent en hen overlevert aan hun vijanden, zodat dezen hen gevangen wegvoeren naar een ver of nabij land;

37

Maar als zij in het land waarheen zij als gevangenen weggevoerd zijn tot bezinning komen, en zich bekeren en tot U bidden in het land van hun gevangenschap, en zeggen: Wij hebben gezondigd, wij hebben misdaan en goddeloos gehandeld;