Terug naar 2 Kronieken 6
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 6:37

Maar als zij in het land waarheen zij als gevangenen weggevoerd zijn tot bezinning komen, en zich bekeren en tot U bidden in het land van hun gevangenschap, en zeggen: Wij hebben gezondigd, wij hebben misdaan en goddeloos gehandeld;

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 6 — omringende verzen

32

Voorts ook aangaande de vreemdeling die niet van Uw volk Israël is, maar die uit een ver land komt vanwege Uw grote Naam, Uw machtige hand en Uw uitgestrekte arm; wanneer zij komen en in dit huis bidden,

33

Hoor dan U vanuit de hemelen, vanuit Uw woonplaats, en doe naar alles waarvoor de vreemdeling tot U roept; opdat alle volken der aarde Uw naam mogen kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël doet, en mogen weten dat dit huis dat ik gebouwd heb naar Uw naam genoemd wordt.

34

Als Uw volk uittrekt ten oorlog tegen zijn vijanden, op de weg die U hen zult zenden, en zij tot U bidden in de richting van deze stad die U gekozen hebt, en het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb;

35

Hoor dan vanuit de hemelen hun gebed en hun smeekbede, en handhaaf hun zaak.

36

Als zij tegen U zondigen — want er is geen mens die niet zondigt — en U toornig op hen bent en hen overlevert aan hun vijanden, zodat dezen hen gevangen wegvoeren naar een ver of nabij land;

37

Maar als zij in het land waarheen zij als gevangenen weggevoerd zijn tot bezinning komen, en zich bekeren en tot U bidden in het land van hun gevangenschap, en zeggen: Wij hebben gezondigd, wij hebben misdaan en goddeloos gehandeld;

38

Als zij met heel hun hart en met heel hun ziel tot U terugkeren in het land van hun gevangenschap, waarheen men hen als gevangenen heeft weggevoerd, en bidden in de richting van hun land dat U aan hun vaderen gegeven hebt, en in de richting van de stad die U gekozen hebt, en het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb:

39

Hoor dan vanuit de hemelen, vanuit Uw woonplaats, hun gebed en hun smeekbeden, en handhaaf hun zaak, en vergeef Uw volk dat tegen U gezondigd heeft.

40

Nu dan, mijn God, bid ik U, laat Uw ogen open zijn en Uw oren opmerkzaam op het gebed dat op deze plaats wordt gedaan.

41

Sta dan op, o HEER God, naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw sterkte; laat Uw priesters, o HEER God, bekleed worden met heil, en laat Uw gunstelingen zich verheugen in het goede.

42

O HEER God, wend het aangezicht van Uw gezalfde niet af; gedenk de gunstbewijzen aan David, Uw dienaar.