2 Kronieken 8:13
“Naar een bepaald dagelijks gebruik, offerende naar het gebod van Mozes, op de sabbatten en op de nieuwe manen en op de plechtige feesten, driemaal per jaar: op het feest der ongezuurde broden en op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 8 — omringende verzen
Maar uit hun nakomelingen die na hen in het land waren overgebleven, die de kinderen Israëls niet hadden uitgeroeid, van hen hief Salomo tot op deze dag herendienst.
9Maar van de kinderen Israëls maakte Salomo geen slaven voor zijn werk; zij waren krijgslieden, en hoofden van zijn hoofdlieden, en aanvoerders van zijn wagens en zijn ruiters.
10En deze waren de hoofdopzieners van koning Salomo, te weten tweehonderdvijftig, die het gezag voerden over het volk.
11En Salomo bracht de dochter van Farao uit de stad van David naar het huis dat hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijn vrouw zal niet wonen in het huis van David, de koning van Israël, omdat de plaatsen heilig zijn waarheen de ark van de HEER gekomen is.
12Toen offerde Salomo brandoffers aan de HEER op het altaar van de HEER, dat hij voor de voorhal had gebouwd,
Naar een bepaald dagelijks gebruik, offerende naar het gebod van Mozes, op de sabbatten en op de nieuwe manen en op de plechtige feesten, driemaal per jaar: op het feest der ongezuurde broden en op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest.
En hij stelde, overeenkomstig de ordening van zijn vader David, de beurten van de priesters voor hun dienst, en de Levieten met hun taak om te loven en te dienen voor de priesters, naar de eis van elke dag; ook de poortwachters naar hun beurten bij elke poort; want zo had David, de man Gods, het geboden.
15En zij weken niet af van het gebod van de koning aan de priesters en de Levieten betreffende enige zaak, noch betreffende de schatkamers.
16Nu was al het werk van Salomo gereedgemaakt van de dag der grondlegging van het huis van de HEER af totdat het voltooid was. Zo werd het huis van de HEER voltooid.
17Toen ging Salomo naar Ezeon-Geber en naar Eloth, aan de zeekust in het land van Edom.
18En Huram zond hem door zijn dienaren schepen en dienaren die met de zee vertrouwd waren; en zij voeren met de dienaren van Salomo naar Ofir en haalden vandaar vierhonderdvijftig talenten goud en brachten die aan koning Salomo.