Terug naar 2 Samuël 14
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 14:18

Toen antwoordde de koning en zei tot de vrouw: Verberg voor mij toch niet wat ik u zal vragen. En de vrouw zei: Laat mijn heer de koning nu spreken.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 14 — omringende verzen

13

En de vrouw zei: Waarom hebt u dan zulk een ding bedacht tegen het volk van God? Want de koning spreekt dit als iemand die schuldig is, doordat de koning zijn verbannene niet terugbrengt.

14

Want wij moeten allen sterven en zijn als water dat op de aarde wordt uitgestort, dat niet meer vergaderd kan worden; maar God neemt geen ziel weg, maar bedenkt middelen, opdat de verbannene niet van Hem verdreven wordt.

15

Nu dan, dat ik gekomen ben om dit tot mijn heer de koning te spreken, is omdat het volk mij bevreesd heeft gemaakt; en uw dienstmaagd zei: Laat mij nu tot de koning spreken; misschien zal de koning het verzoek van zijn dienstmaagd vervullen.

16

Want de koning zal luisteren, om zijn dienstmaagd te redden uit de hand van de man die mij en mijn zoon samen uit de erfenis van God wil verdelgen.

17

Toen zei uw dienstmaagd: Het woord van mijn heer de koning zal nu tot troost zijn; want als een engel Gods is mijn heer de koning om goed en kwaad te onderscheiden; en de HEER uw God zal met u zijn.

18

Toen antwoordde de koning en zei tot de vrouw: Verberg voor mij toch niet wat ik u zal vragen. En de vrouw zei: Laat mijn heer de koning nu spreken.

19

En de koning zei: Is de hand van Joab niet met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zei: Zo waarlijk als uw ziel leeft, mijn heer de koning, niemand kan naar rechts of naar links afwijken van alles wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab, hij heeft mij geboden en hij heeft uw dienstmaagd al deze woorden in de mond gelegd.

20

Om dit geval van een andere kant te benaderen, heeft uw knecht Joab dit gedaan; en mijn heer is wijs, overeenkomstig de wijsheid van een engel Gods, om alles te weten wat er op aarde is.

21

En de koning zei tot Joab: Zie, ik heb dit gedaan; ga dan, breng de jonge man Absalom terug.

22

En Joab viel met zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en dankte de koning; en Joab zei: Heden weet uw knecht dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer, o koning, omdat de koning het verzoek van zijn knecht vervuld heeft.

23

Toen stond Joab op en ging naar Gesur, en bracht Absalom naar Jeruzalem.