Terug naar 2 Samuël 14
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 14:22

En Joab viel met zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en dankte de koning; en Joab zei: Heden weet uw knecht dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer, o koning, omdat de koning het verzoek van zijn knecht vervuld heeft.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 14 — omringende verzen

17

Toen zei uw dienstmaagd: Het woord van mijn heer de koning zal nu tot troost zijn; want als een engel Gods is mijn heer de koning om goed en kwaad te onderscheiden; en de HEER uw God zal met u zijn.

18

Toen antwoordde de koning en zei tot de vrouw: Verberg voor mij toch niet wat ik u zal vragen. En de vrouw zei: Laat mijn heer de koning nu spreken.

19

En de koning zei: Is de hand van Joab niet met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zei: Zo waarlijk als uw ziel leeft, mijn heer de koning, niemand kan naar rechts of naar links afwijken van alles wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab, hij heeft mij geboden en hij heeft uw dienstmaagd al deze woorden in de mond gelegd.

20

Om dit geval van een andere kant te benaderen, heeft uw knecht Joab dit gedaan; en mijn heer is wijs, overeenkomstig de wijsheid van een engel Gods, om alles te weten wat er op aarde is.

21

En de koning zei tot Joab: Zie, ik heb dit gedaan; ga dan, breng de jonge man Absalom terug.

22

En Joab viel met zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en dankte de koning; en Joab zei: Heden weet uw knecht dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer, o koning, omdat de koning het verzoek van zijn knecht vervuld heeft.

23

Toen stond Joab op en ging naar Gesur, en bracht Absalom naar Jeruzalem.

24

En de koning zei: Laat hem naar zijn eigen huis terugkeren, maar mijn aangezicht zal hij niet zien. Zo keerde Absalom naar zijn eigen huis terug en zag het aangezicht van de koning niet.

25

Maar in geheel Israël was er niemand zo zeer om zijn schoonheid te prijzen als Absalom; van zijn voetzool tot zijn kruin was er geen gebrek in hem.

26

En wanneer hij zijn hoofd schoor — want aan het einde van elk jaar schoor hij het, omdat het hem te zwaar werd en hij het moest schoren — woog hij het haar van zijn hoofd op tweehonderd sikkelen naar des konings gewicht.

27

En bij Absalom werden drie zonen geboren, en één dochter, wier naam Tamar was; zij was een vrouw van schone gedaante.