2 Samuël 14:32
“En Absalom antwoordde Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, opdat ik u tot de koning zende, om te zeggen: Waarom ben ik uit Gesur gekomen? Het ware mij beter geweest daar te blijven; laat mij nu het aangezicht des konings zien, en indien er enige ongerechtigheid in mij is, dat hij mij dode.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 14 — omringende verzen
En bij Absalom werden drie zonen geboren, en één dochter, wier naam Tamar was; zij was een vrouw van schone gedaante.
28Zo woonde Absalom twee volle jaren in Jeruzalem, en hij zag het aangezicht des konings niet.
29Daarom zond Absalom naar Joab, om hem naar de koning te zenden; maar hij wilde niet tot hem komen; en toen hij ten tweeden male zond, wilde hij niet komen.
30Toen zeide hij tot zijn knechten: Zie, Joabs akker is naast de mijne, en hij heeft daar gerst; gaat heen en steekt die in brand. En de knechten van Absalom staken de akker in brand.
31Toen stond Joab op, en kwam tot Absalom in zijn huis, en zeide tot hem: Waarom hebben uw knechten mijn akker in brand gestoken?
En Absalom antwoordde Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, opdat ik u tot de koning zende, om te zeggen: Waarom ben ik uit Gesur gekomen? Het ware mij beter geweest daar te blijven; laat mij nu het aangezicht des konings zien, en indien er enige ongerechtigheid in mij is, dat hij mij dode.
Zo kwam Joab tot de koning en boodschapte het hem; en hij riep Absalom, die tot de koning kwam en zich voor de koning ter aarde neerboog; en de koning kuste Absalom.