Terug naar 2 Samuël 16
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 16:5

En toen koning David te Bahurim gekomen was, zie, daar ging een man uit van de familie van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging voort en vloekte al gaande.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 16 — omringende verzen

1

En toen David het hoogtepunt van de heuvel een weinig was voorbijgegaan, zie, daar ontmoette hem Siba, de knecht van Mefiboseth, met een stel gezadelde ezels, en daarop tweehonderd broden, en honderd trossen rozijnen, en honderd stuks zomerfruit, en een kruik wijn.

2

En de koning zeide tot Siba: Wat wilt gij daarmee? En Siba zeide: De ezels zijn voor het huis des konings om op te rijden; het brood en het zomerfruit voor de jongemannen om te eten; en de wijn, opdat wie uitgeput is in de woestijn, moge drinken.

3

En de koning zeide: En waar is de zoon van uw heer? En Siba zeide tot de koning: Zie, hij blijft in Jeruzalem; want hij heeft gezegd: Heden zal het huis van Israël mij het koninkrijk van mijn vader herstellen.

4

Toen zeide de koning tot Siba: Zie, alles wat van Mefiboseth is, is van u. En Siba zeide: Ik werp mij neder; moge ik genade vinden in uw ogen, mijn heer, o koning.

5

En toen koning David te Bahurim gekomen was, zie, daar ging een man uit van de familie van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging voort en vloekte al gaande.

6

En hij wierp stenen naar David en naar al de knechten van koning David; en al het volk en al de helden waren aan zijn rechter- en linkerzijde.

7

En Simeï zeide aldus toen hij vloekte: Ga weg, ga weg, gij bloedman en gij man van Belial.

8

De HEER heeft op u doen neerkomen al het bloed van het huis van Saul, in wiens plaats gij geregeerd hebt; en de HEER heeft het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom uw zoon; en zie, gij zijt in uw onheil gevangen, want gij zijt een bloedman.

9

Toen zeide Abisaï, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vervloeken? Laat mij toch overgaan en zijn hoofd afslaan.

10

En de koning zeide: Wat heb ik met u te maken, gij zonen van Zeruja? Laat hem vloeken; want de HEER heeft tot hem gezegd: Vervloek David. Wie zal dan zeggen: Waarom hebt gij zo gedaan?