Terug naar 2 Samuël 16
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 16:7

En Simeï zeide aldus toen hij vloekte: Ga weg, ga weg, gij bloedman en gij man van Belial.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 16 — omringende verzen

2

En de koning zeide tot Siba: Wat wilt gij daarmee? En Siba zeide: De ezels zijn voor het huis des konings om op te rijden; het brood en het zomerfruit voor de jongemannen om te eten; en de wijn, opdat wie uitgeput is in de woestijn, moge drinken.

3

En de koning zeide: En waar is de zoon van uw heer? En Siba zeide tot de koning: Zie, hij blijft in Jeruzalem; want hij heeft gezegd: Heden zal het huis van Israël mij het koninkrijk van mijn vader herstellen.

4

Toen zeide de koning tot Siba: Zie, alles wat van Mefiboseth is, is van u. En Siba zeide: Ik werp mij neder; moge ik genade vinden in uw ogen, mijn heer, o koning.

5

En toen koning David te Bahurim gekomen was, zie, daar ging een man uit van de familie van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging voort en vloekte al gaande.

6

En hij wierp stenen naar David en naar al de knechten van koning David; en al het volk en al de helden waren aan zijn rechter- en linkerzijde.

7

En Simeï zeide aldus toen hij vloekte: Ga weg, ga weg, gij bloedman en gij man van Belial.

8

De HEER heeft op u doen neerkomen al het bloed van het huis van Saul, in wiens plaats gij geregeerd hebt; en de HEER heeft het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom uw zoon; en zie, gij zijt in uw onheil gevangen, want gij zijt een bloedman.

9

Toen zeide Abisaï, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vervloeken? Laat mij toch overgaan en zijn hoofd afslaan.

10

En de koning zeide: Wat heb ik met u te maken, gij zonen van Zeruja? Laat hem vloeken; want de HEER heeft tot hem gezegd: Vervloek David. Wie zal dan zeggen: Waarom hebt gij zo gedaan?

11

En David zeide tot Abisaï en tot al zijn knechten: Zie, mijn eigen zoon, die uit mijn lijf voortgekomen is, tracht mijn leven te nemen; hoeveel te meer dan zal deze Benjaminiet het doen? Laat hem begaan en laat hem vloeken; want de HEER heeft het hem geboden.

12

Het kan zijn dat de HEER mijn ellende aanziet, en dat de HEER mij goed vergelde voor zijn vloek op deze dag.