2 Samuël 16:12
“Het kan zijn dat de HEER mijn ellende aanziet, en dat de HEER mij goed vergelde voor zijn vloek op deze dag.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 16 — omringende verzen
En Simeï zeide aldus toen hij vloekte: Ga weg, ga weg, gij bloedman en gij man van Belial.
8De HEER heeft op u doen neerkomen al het bloed van het huis van Saul, in wiens plaats gij geregeerd hebt; en de HEER heeft het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom uw zoon; en zie, gij zijt in uw onheil gevangen, want gij zijt een bloedman.
9Toen zeide Abisaï, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vervloeken? Laat mij toch overgaan en zijn hoofd afslaan.
10En de koning zeide: Wat heb ik met u te maken, gij zonen van Zeruja? Laat hem vloeken; want de HEER heeft tot hem gezegd: Vervloek David. Wie zal dan zeggen: Waarom hebt gij zo gedaan?
11En David zeide tot Abisaï en tot al zijn knechten: Zie, mijn eigen zoon, die uit mijn lijf voortgekomen is, tracht mijn leven te nemen; hoeveel te meer dan zal deze Benjaminiet het doen? Laat hem begaan en laat hem vloeken; want de HEER heeft het hem geboden.
Het kan zijn dat de HEER mijn ellende aanziet, en dat de HEER mij goed vergelde voor zijn vloek op deze dag.
En terwijl David en zijn mannen de weg gingen, liep Simeï langs de berghelling naast hem en vloekte al gaande, en wierp stenen naar hem en gooide stof.
14En de koning en al het volk dat bij hem was, kwamen afgemat aan en verkwikten zich aldaar.
15En Absalom en al het volk, de mannen van Israël, kwamen te Jeruzalem, en Achitofel met hem.
16En het geschiedde, toen Husai, de Archiet, de vriend van David, bij Absalom gekomen was, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve.
17En Absalom zeide tot Hushai: Is dit uw vriendschap jegens uw vriend? Waarom zijt gij niet met uw vriend meegegaan?