2 Samuël 16:14
“En de koning en al het volk dat bij hem was, kwamen afgemat aan en verkwikten zich aldaar.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 16 — omringende verzen
Toen zeide Abisaï, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vervloeken? Laat mij toch overgaan en zijn hoofd afslaan.
10En de koning zeide: Wat heb ik met u te maken, gij zonen van Zeruja? Laat hem vloeken; want de HEER heeft tot hem gezegd: Vervloek David. Wie zal dan zeggen: Waarom hebt gij zo gedaan?
11En David zeide tot Abisaï en tot al zijn knechten: Zie, mijn eigen zoon, die uit mijn lijf voortgekomen is, tracht mijn leven te nemen; hoeveel te meer dan zal deze Benjaminiet het doen? Laat hem begaan en laat hem vloeken; want de HEER heeft het hem geboden.
12Het kan zijn dat de HEER mijn ellende aanziet, en dat de HEER mij goed vergelde voor zijn vloek op deze dag.
13En terwijl David en zijn mannen de weg gingen, liep Simeï langs de berghelling naast hem en vloekte al gaande, en wierp stenen naar hem en gooide stof.
En de koning en al het volk dat bij hem was, kwamen afgemat aan en verkwikten zich aldaar.
En Absalom en al het volk, de mannen van Israël, kwamen te Jeruzalem, en Achitofel met hem.
16En het geschiedde, toen Husai, de Archiet, de vriend van David, bij Absalom gekomen was, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve.
17En Absalom zeide tot Hushai: Is dit uw vriendschap jegens uw vriend? Waarom zijt gij niet met uw vriend meegegaan?
18En Hushai zeide tot Absalom: Neen; maar wien de HEER, en dit volk, en alle mannen van Israël verkiezen, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven.
19En voorts, wie zou ik dienen? Zou ik niet dienen in de tegenwoordigheid van zijn zoon? Zoals ik in de tegenwoordigheid van uw vader gediend heb, zo zal ik in uw tegenwoordigheid zijn.