2 Samuël 18:32
“En de koning zei tot Cusï: Gaat het wel met de jongeman Absalom? En Cusï antwoordde: De vijanden van mijn heer de koning, en allen die tegen u opstaan om kwaad te doen, mogen zijn als die jongeman.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 18 — omringende verzen
En de wachter zei: Mij dunkt dat het lopen van de voorste is als het lopen van Ahimaäz, de zoon van Zadok. En de koning zei: Hij is een goed man en komt met een goede boodschap.
28En Ahimaäz riep en zei tot de koning: Vrede! En hij boog zich voor de koning neder met zijn aangezicht ter aarde, en zei: Gezegend zij de HEER, uw God, Die de mannen overgeleverd heeft die hun hand ophieven tegen mijn heer de koning.
29En de koning zei: Gaat het wel met de jongeman Absalom? En Ahimaäz antwoordde: Toen Joab de dienaar des konings uitzond, en mij, uw dienaar, zag ik een grote opschudding, maar ik wist niet wat het was.
30En de koning zei tot hem: Ga terzijde en blijf hier staan. En hij ging terzijde en bleef staan.
31En zie, Cusï kwam, en Cusï zei: Mijn heer de koning, er is nieuws! Want de HEER heeft U heden recht verschaft tegen allen die tegen U opstonden.
En de koning zei tot Cusï: Gaat het wel met de jongeman Absalom? En Cusï antwoordde: De vijanden van mijn heer de koning, en allen die tegen u opstaan om kwaad te doen, mogen zijn als die jongeman.
Toen werd de koning zeer bewogen en ging op naar de opperzaal van de poort en weende. En terwijl hij ging, sprak hij aldus: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Was ik maar in uw plaats gestorven, o Absalom, mijn zoon, mijn zoon!