Terug naar 2 Samuël 18
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 18:27

En de wachter zei: Mij dunkt dat het lopen van de voorste is als het lopen van Ahimaäz, de zoon van Zadok. En de koning zei: Hij is een goed man en komt met een goede boodschap.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 18 — omringende verzen

22

Toen zeide Ahimaaz, de zoon van Zadok, opnieuw tot Joab: Maar hoe het ook zij, laat mij toch, ik bid u, ook achter Cusji aan lopen. En Joab zeide: Waarom wilt gij lopen, mijn zoon, daar gij geen tijding gereed hebt?

23

Maar hoe het ook zij, zeide hij, laat mij lopen. En hij zeide tot hem: Loop. Toen liep Ahimaaz door de weg van de vlakte en overtrof Cusji.

24

En David zat tussen de twee poorten; en de wachter ging naar het dak boven de poort aan de muur, en hief zijn ogen op en zag, en zie, een man liep alleen.

25

En de wachter riep het uit en boodschapte het de koning. En de koning zei: Als hij alleen is, is er een boodschap in zijn mond. En hij kwam snel nader en naderde.

26

En de wachter zag een andere man lopen, en de wachter riep tot de poortwachter en zei: Zie, daar loopt nog een man alleen. En de koning zei: Ook hij brengt een boodschap.

27

En de wachter zei: Mij dunkt dat het lopen van de voorste is als het lopen van Ahimaäz, de zoon van Zadok. En de koning zei: Hij is een goed man en komt met een goede boodschap.

28

En Ahimaäz riep en zei tot de koning: Vrede! En hij boog zich voor de koning neder met zijn aangezicht ter aarde, en zei: Gezegend zij de HEER, uw God, Die de mannen overgeleverd heeft die hun hand ophieven tegen mijn heer de koning.

29

En de koning zei: Gaat het wel met de jongeman Absalom? En Ahimaäz antwoordde: Toen Joab de dienaar des konings uitzond, en mij, uw dienaar, zag ik een grote opschudding, maar ik wist niet wat het was.

30

En de koning zei tot hem: Ga terzijde en blijf hier staan. En hij ging terzijde en bleef staan.

31

En zie, Cusï kwam, en Cusï zei: Mijn heer de koning, er is nieuws! Want de HEER heeft U heden recht verschaft tegen allen die tegen U opstonden.

32

En de koning zei tot Cusï: Gaat het wel met de jongeman Absalom? En Cusï antwoordde: De vijanden van mijn heer de koning, en allen die tegen u opstaan om kwaad te doen, mogen zijn als die jongeman.