Terug naar 2 Samuël 19
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 19:18

En een veerboot voer over om het huisgezin des konings over te zetten, en om te doen wat goed was in zijn ogen. En Simeï, de zoon van Gera, wierp zich voor de koning neder toen hij over de Jordaan was gekomen,

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 19 — omringende verzen

13

En zeg tot Amasa: Zijt gij niet mijn gebeente en mijn vlees? God doe mij zo en nog erger, indien gij niet voortdurend legeroverste voor mij zult zijn in de plaats van Joab.

14

En hij neigde het hart van al de mannen van Juda als het hart van één man, zodat zij dit woord tot de koning zonden: Keer terug, u en al uw knechten.

15

Zo keerde de koning terug en kwam aan de Jordaan. En Juda kwam naar Gilgal om de koning tegemoet te gaan, om de koning over de Jordaan te geleiden.

16

En Simeï, de zoon van Gera, een Benjaminiet, die van Bahurim was, haastte zich en kwam met de mannen van Juda af om koning David tegemoet te gaan.

17

En er waren duizend man van Benjamin bij hem, en Ziba, de knecht van het huis van Saul, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem. En zij trokken over de Jordaan vóór de koning uit.

18

En een veerboot voer over om het huisgezin des konings over te zetten, en om te doen wat goed was in zijn ogen. En Simeï, de zoon van Gera, wierp zich voor de koning neder toen hij over de Jordaan was gekomen,

19

en zei tot de koning: Laat mijn heer mij de ongerechtigheid niet toerekenen, en gedenk niet wat uw knecht misdaan heeft op de dag dat mijn heer de koning uit Jeruzalem wegging, zodat de koning het zich ter harte zou nemen.

20

Want uw knecht weet dat ik gezondigd heb; daarom zie, ik ben heden als eerste van het hele huis van Jozef gekomen om af te gaan mijn heer de koning tegemoet.

21

Maar Abisaï, de zoon van Zeruja, antwoordde en zei: Zou Simeï hiervoor niet ter dood gebracht worden, omdat hij de gezalfde des HEREN vervloekt heeft?

22

Maar David zei: Wat heb ik met u te maken, gij zonen van Zeruja, dat gij mij heden tot tegenstanders wordt? Zou heden iemand ter dood gebracht worden in Israël? Want weet ik niet dat ik heden koning ben over Israël?

23

Daarom zei de koning tot Simeï: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer het hem.