Terug naar 2 Samuël 19
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 19:25

En het geschiedde, toen hij naar Jeruzalem kwam om de koning tegemoet te gaan, dat de koning tot hem zei: Waarom zijt gij niet met mij gegaan, Mefiboseth?

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 19 — omringende verzen

20

Want uw knecht weet dat ik gezondigd heb; daarom zie, ik ben heden als eerste van het hele huis van Jozef gekomen om af te gaan mijn heer de koning tegemoet.

21

Maar Abisaï, de zoon van Zeruja, antwoordde en zei: Zou Simeï hiervoor niet ter dood gebracht worden, omdat hij de gezalfde des HEREN vervloekt heeft?

22

Maar David zei: Wat heb ik met u te maken, gij zonen van Zeruja, dat gij mij heden tot tegenstanders wordt? Zou heden iemand ter dood gebracht worden in Israël? Want weet ik niet dat ik heden koning ben over Israël?

23

Daarom zei de koning tot Simeï: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer het hem.

24

En Mefiboseth, de zoon van Saul, kwam af om de koning tegemoet te gaan, en had zijn voeten niet verzorgd, noch zijn baard geschoren, noch zijn kleren gewassen, van de dag af dat de koning weggegaan was tot de dag dat hij in vrede terugkwam.

25

En het geschiedde, toen hij naar Jeruzalem kwam om de koning tegemoet te gaan, dat de koning tot hem zei: Waarom zijt gij niet met mij gegaan, Mefiboseth?

26

En hij antwoordde: Mijn heer de koning, mijn knecht heeft mij bedrogen, want uw knecht zei: Ik zal voor mij een ezel zadelen, opdat ik daarop rijde en met de koning ga, omdat uw knecht kreupel is.

27

En hij heeft uw knecht belasterd bij mijn heer de koning, maar mijn heer de koning is als een engel Gods; doe daarom wat goed is in uw ogen.

28

Want het hele huis van mijn vader was niet anders dan dode mensen voor mijn heer de koning, en toch hebt U uw knecht gezet onder degenen die aan uw eigen tafel eten. Welk recht heb ik dan nog om verder te roepen tot de koning?

29

En de koning zei tot hem: Waarom spreekt gij nog langer over uw zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba, verdeel het land.

30

En Mefiboseth zei tot de koning: Ja, laat hij alles maar nemen, nu mijn heer de koning in vrede teruggekomen is naar zijn eigen huis.