Terug naar 2 Samuël 20
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 20:10

Maar Amasa lette niet op het zwaard dat in Joabs hand was; en hij stak hem daarmee in het vijfde rib, zodat zijn ingewanden op de grond uitvloeiden. Hij hoefde hem geen tweede slag toe te brengen, want hij stierf. Zo achtervolgden Joab en zijn broeder Abisaï Seba, de zoon van Bichri.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 20 — omringende verzen

5

Zo ging Amasa heen om de mannen van Juda bijeen te roepen, maar hij vertoefde langer dan de vastgestelde tijd die hij hem bepaald had.

6

En David zei tot Abisaï: Nu zal Seba, de zoon van Bichri, ons meer kwaad doen dan Absalom; neem gij de knechten van uw heer en jaag hem na, opdat hij geen versterkte steden voor zich vindt en aan onze ogen ontsnapt.

7

En achter hem trokken uit de mannen van Joab, en de Kretheërs en de Pheletheërs, en al de helden; en zij trokken uit Jeruzalem uit om Seba, de zoon van Bichri, na te jagen.

8

Toen zij bij de grote steen waren die te Gibeon is, kwam Amasa hun tegemoet. En Joabs gewaad dat hij aanhad, was om hem aangegord, en daarover een gordel met een zwaard, vastgemaakt aan zijn lendenen in zijn schede; en toen hij voorwaarts ging, viel het eruit.

9

En Joab zei tegen Amasa: Gaat het goed met u, mijn broeder? En Joab greep Amasa bij de baard met zijn rechterhand om hem te kussen.

10

Maar Amasa lette niet op het zwaard dat in Joabs hand was; en hij stak hem daarmee in het vijfde rib, zodat zijn ingewanden op de grond uitvloeiden. Hij hoefde hem geen tweede slag toe te brengen, want hij stierf. Zo achtervolgden Joab en zijn broeder Abisaï Seba, de zoon van Bichri.

11

En één van Joabs mannen stond bij hem en zei: Wie Joab gezind is en wie voor David is, ga achter Joab aan.

12

En Amasa wentelde zich in zijn bloed midden op de weg. En toen de man zag dat al het volk stilstond, droeg hij Amasa van de weg het veld in, en wierp een kleed over hem, omdat hij zag dat ieder die bij hem voorbijkwam, bleef staan.

13

Nadat hij van de weg verwijderd was, trok al het volk verder achter Joab aan, om Seba, de zoon van Bichri, te achtervolgen.

14

En hij trok door alle stammen van Israël naar Abel en naar Beth-Maächa, en alle Berieten; en zij vergaderden zich en gingen ook hem achterna.

15

En zij kwamen en belegerden hem in Abel-Beth-Maächa, en wierpen een wal op tegen de stad, zodat die in de gracht stond; en al het volk dat bij Joab was, beukte de muur om die neer te werpen.