2 Samuël 20:25
“En Seva was schrijver; en Zadok en Abjathar waren de priesters.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 20 — omringende verzen
En Joab antwoordde en zei: Dat zij verre, dat zij verre van mij, dat ik zou verslinden of verwoesten.
21Zo is de zaak niet; maar een man van het gebergte Efraïm, Seba de zoon van Bichri genaamd, heeft zijn hand opgeheven tegen de koning, zelfs tegen David. Lever hem alleen uit, dan zal ik van de stad vertrekken. En de vrouw zei tegen Joab: Zie, zijn hoofd zal u over de muur worden toegeworpen.
22Toen ging de vrouw in haar wijsheid tot al het volk. En zij sloegen het hoofd van Seba, de zoon van Bichri, af, en wierpen het uit naar Joab. En hij blies op de bazuin, en zij trokken zich terug van de stad, een ieder naar zijn tent. En Joab keerde terug naar Jeruzalem, naar de koning.
23Nu was Joab aangesteld over het gehele leger van Israël; en Benaja, de zoon van Jojada, was aangesteld over de Keretieten en over de Peletieten.
24En Adoram was over de herendienst; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
En Seva was schrijver; en Zadok en Abjathar waren de priesters.
En ook Ira, de Jaïriet, was een voorname raadsman bij David.