2 Samuël 23:10
“Hij stond op en versloeg de Filistijnen totdat zijn hand moe werd en zijn hand aan het zwaard kleefde. En de HEER bewerkte een grote overwinning op die dag, en het volk keerde terug achter hem aan, alleen om te plunderen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 23 — omringende verzen
Hoewel mijn huis niet zo is bij God, heeft Hij toch met mij een eeuwig verbond gemaakt, dat in alle dingen welgeordend en bevestigd is; voorwaar, dit is al mijn heil en al mijn lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.
6Maar de zonen van Belial zullen allen zijn als doornen die weggeworpen worden, want zij kunnen met de hand niet aangeraakt worden.
7Maar de man die hen aanraakt, moet zich wapenen met ijzer en de schacht van een speer; en zij zullen geheel met vuur verbrand worden ter plaatse.
8Dit zijn de namen van de helden die David had: De Tachmoniet, die als hoofdman zat, de voornaamste van de aanvoerders; deze was Adino, de Ezniet. Hij hief zijn speer op tegen achthonderd man, die hij in één keer versloeg.
9En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet, een van de drie helden bij David, toen zij de Filistijnen trotseerden die daar tot de strijd verzameld waren, en de mannen van Israël wegtrokken.
Hij stond op en versloeg de Filistijnen totdat zijn hand moe werd en zijn hand aan het zwaard kleefde. En de HEER bewerkte een grote overwinning op die dag, en het volk keerde terug achter hem aan, alleen om te plunderen.
En na hem was Samma, de zoon van Age, de Harariet. De Filistijnen waren tot een bende verzameld, waar een stuk grond was vol linzen, en het volk vluchtte voor de Filistijnen.
12Maar hij ging staan midden op dat stuk grond en verdedigde het en versloeg de Filistijnen. En de HEER bewerkte een grote overwinning.
13En drie van de dertig voornaamsten daalden af en kwamen in de oogsttijd tot David, naar de spelonk van Adullam, terwijl de bende van de Filistijnen gelegerd was in het dal Refaïm.
14En David was toen in de bergvesting, en de bezetting van de Filistijnen was toen in Bethlehem.
15En David kreeg een verlangen en zei: O, dat mij iemand te drinken zou geven van het water uit de put van Bethlehem, die bij de poort is!