2 Samuël 3:13
“En hij zei: Goed, ik zal een verbond met u sluiten; maar één ding eis ik van u, namelijk dit: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij gij eerst Michal, de dochter van Saul, meebrengt, wanneer gij komt om mijn aangezicht te zien.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 3 — omringende verzen
Toen werd Abner zeer toornig over de woorden van Isboseth en zei: Ben ik een hondenkop, die het met Juda houdt? Ik bewijs heden goedertierenheid aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broeders en aan zijn vrienden, en ik heb u niet overgeleverd in de hand van David; en nu rekent gij mij heden een overtreding aan met betrekking tot deze vrouw?
9Zo doe God aan Abner en zo voege Hij hem nog toe, zo waarachtig als de HEER aan David gezworen heeft, zo zal ik hem dat doen:
10om het koninkrijk van het huis van Saul over te brengen en de troon van David te vestigen over Israël en over Juda, van Dan tot Berseba.
11En hij kon Abner geen woord meer antwoorden, omdat hij hem vreesde.
12En Abner zond boden namens hem tot David, zeggende: Van wie is het land? En hij zei verder: Sluit uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn om geheel Israël tot u te doen overkomen.
En hij zei: Goed, ik zal een verbond met u sluiten; maar één ding eis ik van u, namelijk dit: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij gij eerst Michal, de dochter van Saul, meebrengt, wanneer gij komt om mijn aangezicht te zien.
En David zond boden tot Isboseth, de zoon van Saul, om te zeggen: Geef mij mijn vrouw Michal, die ik mij ondertrouwd heb voor honderd voorhuiden van de Filistijnen.
15En Isboseth zond heen en liet haar weghalen van haar man, van Paltiël, de zoon van Lais.
16En haar man ging met haar mee, al wenend achter haar aan, tot Bachurim. Toen zei Abner tot hem: Ga, keer terug. En hij keerde terug.
17En Abner had overleg gepleegd met de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt in het verleden David tot koning over u begeerd;
18doe het dan nu, want de HEER heeft over David gesproken, zeggende: Door de hand van Mijn dienaar David zal Ik Mijn volk Israël redden uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden.