2 Samuël 3:19
“En Abner sprak ook tot de Benjaminieten; en Abner ging ook heen om in Hebron tot David te spreken al wat goed was in de ogen van Israël en in de ogen van het gehele huis van Benjamin.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 3 — omringende verzen
En David zond boden tot Isboseth, de zoon van Saul, om te zeggen: Geef mij mijn vrouw Michal, die ik mij ondertrouwd heb voor honderd voorhuiden van de Filistijnen.
15En Isboseth zond heen en liet haar weghalen van haar man, van Paltiël, de zoon van Lais.
16En haar man ging met haar mee, al wenend achter haar aan, tot Bachurim. Toen zei Abner tot hem: Ga, keer terug. En hij keerde terug.
17En Abner had overleg gepleegd met de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt in het verleden David tot koning over u begeerd;
18doe het dan nu, want de HEER heeft over David gesproken, zeggende: Door de hand van Mijn dienaar David zal Ik Mijn volk Israël redden uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden.
En Abner sprak ook tot de Benjaminieten; en Abner ging ook heen om in Hebron tot David te spreken al wat goed was in de ogen van Israël en in de ogen van het gehele huis van Benjamin.
Zo kwam Abner tot David in Hebron, en twintig mannen met hem. En David richtte voor Abner en de mannen die met hem waren een feestmaal aan.
21En Abner zei tot David: Ik zal mij opmaken en heengaan, en geheel Israël tot mijn heer de koning verzamelen, opdat zij een verbond met u sluiten en gij koning zult zijn over alles wat uw hart begeert. En David liet Abner gaan, en hij ging heen in vrede.
22En zie, de dienaren van David en Joab kwamen terug van het achtervolgen van een bende en brachten grote buit met zich mee; maar Abner was niet meer bij David in Hebron, want hij had hem weggezonden en hij was heengegaan in vrede.
23Toen Joab en het gehele leger dat bij hem was kwamen, berichtte men aan Joab, zeggende: Abner, de zoon van Ner, is tot de koning gekomen, en hij heeft hem weggezonden en hij is heengegaan in vrede.
24Toen kwam Joab tot de koning en zei: Wat hebt gij gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen; waarom hebt gij hem weggezonden, zodat hij is heengegaan?