2 Tessalonicenzen 2:1
“Maar wij bidden u, broeders, door de komst van onze Heer Jezus Christus en onze vergadering tot Hem,”
Kruisverwijzingen
Context
2 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Maar wij bidden u, broeders, door de komst van onze Heer Jezus Christus en onze vergadering tot Hem,
Dat gij niet spoedig geschokt wordt in uw verstand, of verontrust wordt, noch door geest, noch door woord, noch door een brief als van ons, alsof de dag van Christus aanstaande is.
3Laat niemand u op enige wijze bedriegen; want die dag zal niet komen tenzij eerst de afval gekomen is, en de mens der zonde geopenbaard is, de zoon des verderfs;
4Die zich verzet en verheft boven al wat God of heiligdom genaamd wordt, zodat hij als God zit in de tempel van God en zich voordoet als God.
5Herinnert gij u niet dat ik, toen ik nog bij u was, u deze dingen gezegd heb?
6En nu weet gij wat weerhoudt, opdat hij geopenbaard worde op zijn tijd.