2 Tessalonicenzen 2:5
“Herinnert gij u niet dat ik, toen ik nog bij u was, u deze dingen gezegd heb?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Tessalonicenzen 2 — omringende verzen
Maar wij bidden u, broeders, door de komst van onze Heer Jezus Christus en onze vergadering tot Hem,
2Dat gij niet spoedig geschokt wordt in uw verstand, of verontrust wordt, noch door geest, noch door woord, noch door een brief als van ons, alsof de dag van Christus aanstaande is.
3Laat niemand u op enige wijze bedriegen; want die dag zal niet komen tenzij eerst de afval gekomen is, en de mens der zonde geopenbaard is, de zoon des verderfs;
4Die zich verzet en verheft boven al wat God of heiligdom genaamd wordt, zodat hij als God zit in de tempel van God en zich voordoet als God.
Herinnert gij u niet dat ik, toen ik nog bij u was, u deze dingen gezegd heb?
En nu weet gij wat weerhoudt, opdat hij geopenbaard worde op zijn tijd.
7Want het geheimenis der wetteloosheid werkt reeds; alleen zal hij die nu weerhoudt, blijven weerhouden totdat hij uit de weg genomen is.
8En dan zal die Boze geopenbaard worden, die de Heer zal verteren met de geest van Zijn mond en vernietigen door de verschijning van Zijn komst:
9Hem, wiens komst naar de werking van Satan is, met alle kracht en tekenen en leugenachtige wonderen,
10En met allerlei verleiding der ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, opdat zij zalig zouden worden.