Terug naar Daniël 3
VSV
Statenvertaling

Daniël 3:7

Daarom, op dat tijdstip, toen al het volk het geluid hoorde van de hoorn, de fluit, de citer, de sambuca, de harp en allerlei soorten muziek, wierpen al de volken, natiën en talen zich neer en aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.

Kruisverwijzingen

Context

Daniël 3 — omringende verzen

2

Daarna zond koning Nebukadnezar uit om de stadhouders, de bevelhebbers, de landvoogden, de rechters, de schatmeesters, de raadsheren, de rechtsgeleerden en alle bestuurders van de provincies bijeen te roepen, om te komen tot de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.

3

Toen kwamen de stadhouders, de bevelhebbers, de landvoogden, de rechters, de schatmeesters, de raadsheren, de rechtsgeleerden en alle bestuurders van de provincies bijeen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar had opgericht.

4

Daarna riep een heraut met luide stem: U wordt geboden, o volken, natiën en talen,

5

dat op het ogenblik dat gij het geluid hoort van de hoorn, de fluit, de citer, de sambuca, de harp, de luit en allerlei soorten muziek, gij u neerbuigt en het gouden beeld aanbidt dat koning Nebukadnezar heeft opgericht.

6

En wie zich niet neerbuigt en aanbidt, die zal op hetzelfde ogenblik in het midden van een brandende vuuroven worden geworpen.

7

Daarom, op dat tijdstip, toen al het volk het geluid hoorde van de hoorn, de fluit, de citer, de sambuca, de harp en allerlei soorten muziek, wierpen al de volken, natiën en talen zich neer en aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.

8

Hierop kwamen te dier tijd zekere Chaldeeën naar voren en beschuldigden de Joden.

9

Zij spraken en zeiden tot koning Nebukadnezar: O koning, leef in eeuwigheid.

10

Gij, o koning, hebt een gebod uitgevaardigd dat ieder die het geluid hoort van de hoorn, de fluit, de citer, de sambuca, de harp, de luit en allerlei soorten muziek, zich moet neerbuigen en het gouden beeld aanbidden.

11

En wie zich niet neerbuigt en aanbidt, die moet in het midden van een brandende vuuroven worden geworpen.

12

Er zijn zekere Joden die gij over de zaken van de provincie Babel hebt aangesteld: Sadrach, Mesach en Abednego; deze mannen, o koning, slaan geen acht op u; zij dienen uw goden niet en aanbidden het gouden beeld niet dat gij hebt opgericht.