Daniël 3:9
“Zij spraken en zeiden tot koning Nebukadnezar: O koning, leef in eeuwigheid.”
Kruisverwijzingen
Context
Daniël 3 — omringende verzen
Daarna riep een heraut met luide stem: U wordt geboden, o volken, natiën en talen,
5dat op het ogenblik dat gij het geluid hoort van de hoorn, de fluit, de citer, de sambuca, de harp, de luit en allerlei soorten muziek, gij u neerbuigt en het gouden beeld aanbidt dat koning Nebukadnezar heeft opgericht.
6En wie zich niet neerbuigt en aanbidt, die zal op hetzelfde ogenblik in het midden van een brandende vuuroven worden geworpen.
7Daarom, op dat tijdstip, toen al het volk het geluid hoorde van de hoorn, de fluit, de citer, de sambuca, de harp en allerlei soorten muziek, wierpen al de volken, natiën en talen zich neer en aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.
8Hierop kwamen te dier tijd zekere Chaldeeën naar voren en beschuldigden de Joden.
Zij spraken en zeiden tot koning Nebukadnezar: O koning, leef in eeuwigheid.
Gij, o koning, hebt een gebod uitgevaardigd dat ieder die het geluid hoort van de hoorn, de fluit, de citer, de sambuca, de harp, de luit en allerlei soorten muziek, zich moet neerbuigen en het gouden beeld aanbidden.
11En wie zich niet neerbuigt en aanbidt, die moet in het midden van een brandende vuuroven worden geworpen.
12Er zijn zekere Joden die gij over de zaken van de provincie Babel hebt aangesteld: Sadrach, Mesach en Abednego; deze mannen, o koning, slaan geen acht op u; zij dienen uw goden niet en aanbidden het gouden beeld niet dat gij hebt opgericht.
13Toen gebood Nebukadnezar in zijn toorn en woede om Sadrach, Mesach en Abednego te halen. Daarop werden deze mannen voor de koning gebracht.
14Nebukadnezar sprak en zei tot hen: Is het waar, o Sadrach, Mesach en Abednego, dat gij mijn goden niet dient en het gouden beeld dat ik heb opgericht niet aanbidt?