Daniël 5:17
“Toen antwoordde Daniël en zeide voor de koning: Laat uw geschenken uzelf zijn en geef uw beloningen aan een ander; nochtans zal ik de schrift voor de koning lezen en hem de uitlegging bekendmaken.”
Kruisverwijzingen
Context
Daniël 5 — omringende verzen
Aangezien in deze Daniël, die de koning Beltesazar noemde, een uitnemende geest en kennis en inzicht gevonden werden, het uitleggen van dromen, het verklaren van raadselen en het oplossen van moeilijke vraagstukken; laat nu Daniël geroepen worden, en hij zal de uitlegging bekendmaken.
13Toen werd Daniël voor de koning gebracht. En de koning nam het woord en zeide tot Daniël: Zijt gij die Daniël, die behoort tot de gevangenen uit Juda, die de koning, mijn vader, uit Judea heeft meegebracht?
14Ik heb van u gehoord dat de geest der goden in u is, en dat licht en inzicht en uitnemende wijsheid in u gevonden worden.
15En nu zijn de wijzen, de bezweerders, voor mij binnengebracht opdat zij deze schrift zouden lezen en mij de uitlegging ervan zouden bekendmaken; maar zij konden de uitlegging van de zaak niet meedelen.
16En ik heb van u gehoord dat gij uitleggingen kunt geven en moeilijkheden kunt oplossen; indien gij nu de schrift kunt lezen en mij de uitlegging ervan kunt bekendmaken, zult gij in purper gekleed worden en een gouden keten om uw hals dragen en de derde heerser in het koninkrijk zijn.
Toen antwoordde Daniël en zeide voor de koning: Laat uw geschenken uzelf zijn en geef uw beloningen aan een ander; nochtans zal ik de schrift voor de koning lezen en hem de uitlegging bekendmaken.
O gij koning, de allerhoogste God heeft Nebukadnezar, uw vader, koninkrijk en majesteit en eer en heerlijkheid gegeven;
19En vanwege de majesteit die Hij hem gaf, beefden en vreesden alle volken, natiën en talen voor hem; wie hij wilde doodde hij, en wie hij wilde liet hij leven; en wie hij wilde verhoogde hij, en wie hij wilde vernederde hij.
20Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest verhard werd in hoogmoed, werd hij van zijn koninklijke troon gestoten en men nam zijn heerlijkheid van hem weg;
21En hij werd verdreven uit het midden der mensen, en zijn hart werd gelijk dat van de dieren, en zijn woning was bij de wilde ezels; men voedde hem met gras als de ossen, en zijn lichaam werd nat gemaakt met de dauw des hemels; totdat hij erkende dat de allerhoogste God heerst over het koninkrijk der mensen en dat Hij daarover aanstelt wie Hij wil.
22En gij, zijn zoon, o Belsazar, hebt uw hart niet vernederd, hoewel gij dit alles wist;