Terug naar Daniël 5
VSV
Statenvertaling

Daniël 5:20

Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest verhard werd in hoogmoed, werd hij van zijn koninklijke troon gestoten en men nam zijn heerlijkheid van hem weg;

Kruisverwijzingen

Context

Daniël 5 — omringende verzen

15

En nu zijn de wijzen, de bezweerders, voor mij binnengebracht opdat zij deze schrift zouden lezen en mij de uitlegging ervan zouden bekendmaken; maar zij konden de uitlegging van de zaak niet meedelen.

16

En ik heb van u gehoord dat gij uitleggingen kunt geven en moeilijkheden kunt oplossen; indien gij nu de schrift kunt lezen en mij de uitlegging ervan kunt bekendmaken, zult gij in purper gekleed worden en een gouden keten om uw hals dragen en de derde heerser in het koninkrijk zijn.

17

Toen antwoordde Daniël en zeide voor de koning: Laat uw geschenken uzelf zijn en geef uw beloningen aan een ander; nochtans zal ik de schrift voor de koning lezen en hem de uitlegging bekendmaken.

18

O gij koning, de allerhoogste God heeft Nebukadnezar, uw vader, koninkrijk en majesteit en eer en heerlijkheid gegeven;

19

En vanwege de majesteit die Hij hem gaf, beefden en vreesden alle volken, natiën en talen voor hem; wie hij wilde doodde hij, en wie hij wilde liet hij leven; en wie hij wilde verhoogde hij, en wie hij wilde vernederde hij.

20

Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest verhard werd in hoogmoed, werd hij van zijn koninklijke troon gestoten en men nam zijn heerlijkheid van hem weg;

21

En hij werd verdreven uit het midden der mensen, en zijn hart werd gelijk dat van de dieren, en zijn woning was bij de wilde ezels; men voedde hem met gras als de ossen, en zijn lichaam werd nat gemaakt met de dauw des hemels; totdat hij erkende dat de allerhoogste God heerst over het koninkrijk der mensen en dat Hij daarover aanstelt wie Hij wil.

22

En gij, zijn zoon, o Belsazar, hebt uw hart niet vernederd, hoewel gij dit alles wist;

23

Maar hebt uzelf verheven tegen de Heer des hemels; en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij en uw grootvorsten, uw vrouwen en uw bijvrouwen, hebben wijn gedronken daaruit; en gij hebt de goden van zilver en goud, van koper, ijzer, hout en steen geprezen, die niet zien noch horen noch weten; maar de God in wiens hand uw adem is en aan wie al uw wegen zijn, Hem hebt gij niet verheerlijkt.

24

Toen werd het gedeelte van de hand van Hem gezonden, en dit schrift werd geschreven.

25

En dit is het schrift dat geschreven werd: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN.