Terug naar Deuteronomium 12
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 12:11

Dan zal er een plaats zijn die de HEER uw God zal uitkiezen om Zijn naam daar te laten wonen; daarheen zult u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de heffing van uw hand en al uw uitgelezen geloften die u de HEER belooft.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 12 — omringende verzen

6

En daarheen zult u uw brandoffers brengen, uw slachtoffers, uw tienden, de heffing van uw hand, uw geloften, uw vrijwillige offers en de eerstgeborenen van uw runderen en uw kleinvee.

7

En daar zult u eten voor het aangezicht van de HEER uw God en u verblijden over alles wat u ter hand neemt, u en uw huisgezinnen, waarmee de HEER uw God u gezegend heeft.

8

U zult niet doen naar alles wat wij hier heden doen, een ieder wat recht is in zijn eigen ogen.

9

Want u bent nog niet gekomen tot de rust en de erfenis die de HEER uw God u geeft.

10

Maar wanneer u de Jordaan oversteekt en woont in het land dat de HEER uw God u als erfenis geeft, en wanneer Hij u rust geeft van al uw vijanden rondom, zodat u veilig woont,

11

Dan zal er een plaats zijn die de HEER uw God zal uitkiezen om Zijn naam daar te laten wonen; daarheen zult u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de heffing van uw hand en al uw uitgelezen geloften die u de HEER belooft.

12

En u zult u verblijden voor het aangezicht van de HEER uw God, u en uw zonen en uw dochters, uw dienstknechten en uw dienstmaagden, en de Leviet die binnen uw poorten is, want hij heeft geen deel noch erfenis met u.

13

Wees op uw hoede dat u uw brandoffers niet brengt op elke plaats die u ziet,

14

maar op de plaats die de HEER zal kiezen in een van uw stammen; daar zult u uw brandoffers brengen, en daar zult u alles doen wat Ik u gebied.

15

Nochtans mag u slachten en vlees eten in al uw poorten, naar alles wat uw ziel begeert, overeenkomstig de zegen van de HEER uw God die Hij u gegeven heeft; de onreine en de reine mogen daarvan eten, zoals van het ree en het hert.

16

Alleen zult u het bloed niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water.