Deuteronomium 15:14
“Gij zult hem rijkelijk voorzien uit uw kudde, en uit uw dorsvloer, en uit uw wijnpers: van hetgeen de HEER uw God u gezegend heeft, zult gij hem geven.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 15 — omringende verzen
Wacht u dat er geen gedachte in uw verdorven hart zij, die zegt: Het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding, is nabij; en dat uw oog boos zij jegens uw arme broeder, en gij hem niets geeft; en hij tot de HEER over u roept, en het u tot zonde wordt.
10Gij zult hem zeker geven, en uw hart zal niet bedroefd zijn wanneer gij hem geeft: want om deze zaak zal de HEER uw God u zegenen in al uw werken en in alles waaraan gij uw hand slaat.
11Want de armen zullen nimmer uit het land ophouden: daarom gebied ik u en zeg: Gij zult uw hand wijd opendoen voor uw broeder, voor uw arme en voor uw behoeftige, in uw land.
12En indien uw broeder, een Hebreeuwse man of een Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht wordt en u zes jaar dient; dan zult gij hem in het zevende jaar vrij van u laten gaan.
13En wanneer gij hem vrij van u laat gaan, zult gij hem niet met lege handen laten gaan:
Gij zult hem rijkelijk voorzien uit uw kudde, en uit uw dorsvloer, en uit uw wijnpers: van hetgeen de HEER uw God u gezegend heeft, zult gij hem geven.
En gij zult gedenken dat gij een dienstknecht waart in het land Egypte, en de HEER uw God u verlost heeft: daarom gebied ik u deze zaak heden.
16En het zal zijn, indien hij tot u zegt: Ik zal niet van u weggaan; omdat hij u en uw huis liefheeft, en het hem goed bij u gaat;
17Dan zult gij een priem nemen, en die door zijn oor aan de deur steken, en hij zal uw dienstknecht zijn voor altijd. En ook aan uw dienstmaagd zult gij hetzelfde doen.
18Het zal u niet zwaar vallen wanneer gij hem vrij van u laat gaan; want hij heeft u zes jaren gediend voor het dubbele van een gehuurde arbeider: en de HEER uw God zal u zegenen in alles wat gij doet.
19Al de eerstgeboren mannelijke dieren die van uw runderen en van uw kleinvee geboren worden, zult gij heiligen voor de HEER uw God: gij zult geen werk doen met de eerstgeborene van uw rund, en gij zult de eerstgeborene van uw schapen niet scheren.