Terug naar Deuteronomium 15
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 15:11

Want de armen zullen nimmer uit het land ophouden: daarom gebied ik u en zeg: Gij zult uw hand wijd opendoen voor uw broeder, voor uw arme en voor uw behoeftige, in uw land.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 15 — omringende verzen

6

Want de HEER uw God zegent u, zoals Hij u beloofd heeft: en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet lenen; en gij zult over vele volken heersen, maar zij zullen niet over u heersen.

7

Indien er onder u een arme man is van een van uw broederen binnen enige van uw poorten in uw land dat de HEER uw God u geeft, zult gij uw hart niet verharden, noch uw hand sluiten voor uw arme broeder:

8

Maar gij zult uw hand wijd voor hem opendoen, en gij zult hem zeker genoeg lenen voor zijn behoefte, naar hetgeen hem ontbreekt.

9

Wacht u dat er geen gedachte in uw verdorven hart zij, die zegt: Het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding, is nabij; en dat uw oog boos zij jegens uw arme broeder, en gij hem niets geeft; en hij tot de HEER over u roept, en het u tot zonde wordt.

10

Gij zult hem zeker geven, en uw hart zal niet bedroefd zijn wanneer gij hem geeft: want om deze zaak zal de HEER uw God u zegenen in al uw werken en in alles waaraan gij uw hand slaat.

11

Want de armen zullen nimmer uit het land ophouden: daarom gebied ik u en zeg: Gij zult uw hand wijd opendoen voor uw broeder, voor uw arme en voor uw behoeftige, in uw land.

12

En indien uw broeder, een Hebreeuwse man of een Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht wordt en u zes jaar dient; dan zult gij hem in het zevende jaar vrij van u laten gaan.

13

En wanneer gij hem vrij van u laat gaan, zult gij hem niet met lege handen laten gaan:

14

Gij zult hem rijkelijk voorzien uit uw kudde, en uit uw dorsvloer, en uit uw wijnpers: van hetgeen de HEER uw God u gezegend heeft, zult gij hem geven.

15

En gij zult gedenken dat gij een dienstknecht waart in het land Egypte, en de HEER uw God u verlost heeft: daarom gebied ik u deze zaak heden.

16

En het zal zijn, indien hij tot u zegt: Ik zal niet van u weggaan; omdat hij u en uw huis liefheeft, en het hem goed bij u gaat;