Terug naar Deuteronomium 15
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 15:8

Maar gij zult uw hand wijd voor hem opendoen, en gij zult hem zeker genoeg lenen voor zijn behoefte, naar hetgeen hem ontbreekt.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 15 — omringende verzen

3

Van een vreemdeling moogt gij het terugeisen: maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;

4

Tenzij er geen arme onder u zal zijn; want de HEER zal u zeer zegenen in het land dat de HEER uw God u als erfenis geeft om het te bezitten:

5

Alleen indien gij aandachtig luistert naar de stem van de HEER uw God, om al deze geboden die ik u heden gebied, nauwgezet te onderhouden en te doen.

6

Want de HEER uw God zegent u, zoals Hij u beloofd heeft: en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet lenen; en gij zult over vele volken heersen, maar zij zullen niet over u heersen.

7

Indien er onder u een arme man is van een van uw broederen binnen enige van uw poorten in uw land dat de HEER uw God u geeft, zult gij uw hart niet verharden, noch uw hand sluiten voor uw arme broeder:

8

Maar gij zult uw hand wijd voor hem opendoen, en gij zult hem zeker genoeg lenen voor zijn behoefte, naar hetgeen hem ontbreekt.

9

Wacht u dat er geen gedachte in uw verdorven hart zij, die zegt: Het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding, is nabij; en dat uw oog boos zij jegens uw arme broeder, en gij hem niets geeft; en hij tot de HEER over u roept, en het u tot zonde wordt.

10

Gij zult hem zeker geven, en uw hart zal niet bedroefd zijn wanneer gij hem geeft: want om deze zaak zal de HEER uw God u zegenen in al uw werken en in alles waaraan gij uw hand slaat.

11

Want de armen zullen nimmer uit het land ophouden: daarom gebied ik u en zeg: Gij zult uw hand wijd opendoen voor uw broeder, voor uw arme en voor uw behoeftige, in uw land.

12

En indien uw broeder, een Hebreeuwse man of een Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht wordt en u zes jaar dient; dan zult gij hem in het zevende jaar vrij van u laten gaan.

13

En wanneer gij hem vrij van u laat gaan, zult gij hem niet met lege handen laten gaan: