Deuteronomium 16:7
“En gij zult het roosteren en eten op de plaats die de HEER uw God zal uitkiezen: en des morgens zult gij omkeren en naar uw tenten gaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 16 — omringende verzen
Gij zult dan het Pascha offeren aan de HEER uw God, van het kleinvee en het rundvee, op de plaats die de HEER zal uitkiezen om Zijn naam daar te vestigen.
3Gij zult er geen gezuurd brood bij eten; zeven dagen zult gij er ongezuurd brood bij eten, het brood der verdrukking; want gij zijt haastig uit het land Egypte getrokken: opdat gij de dag gedenkt waarop gij uit het land Egypte getrokken zijt, al de dagen van uw leven.
4En er zal geen gezuurd brood bij u gezien worden in al uw gebied gedurende zeven dagen; noch zal er iets van het vlees dat gij op de eerste avond geofferd hebt, tot de morgen overblijven.
5Gij moogt het Pascha niet offeren binnen een van uw poorten, die de HEER uw God u geeft:
6Maar op de plaats die de HEER uw God zal uitkiezen om Zijn naam te vestigen, daar zult gij het Pascha offeren des avonds, bij het ondergaan van de zon, op de tijd dat gij uit Egypte getrokken zijt.
En gij zult het roosteren en eten op de plaats die de HEER uw God zal uitkiezen: en des morgens zult gij omkeren en naar uw tenten gaan.
Zes dagen zult gij ongezuurd brood eten: en op de zevende dag zal er een plechtige samenkomst zijn voor de HEER uw God: gij zult er geen werk in doen.
9Zeven weken zult gij voor uzelf tellen: begin de zeven weken te tellen van de tijd af dat gij begint de sikkel in het koren te slaan.
10En gij zult het feest der weken vieren voor de HEER uw God met een vrijwillige offergave van uw hand, die gij de HEER uw God zult geven, naar gelang de HEER uw God u gezegend heeft:
11En gij zult u verheugen voor het aangezicht van de HEER uw God, gij en uw zoon en uw dochter, en uw dienstknecht en uw dienstmaagd, en de Leviet die binnen uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die onder u zijn, op de plaats die de HEER uw God uitgekozen heeft om Zijn naam daar te vestigen.
12En gij zult gedenken dat gij een dienstknecht waart in Egypte: en gij zult deze inzettingen onderhouden en doen.