Deuteronomium 2:22
“Zoals Hij gedaan heeft aan de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, toen Hij de Horieten voor hun aangezicht verdelgde, en zij namen hun bezit in en woonden in hun plaats tot op deze dag.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 2 — omringende verzen
Dat de HEER tot mij sprak, zeggende:
18Gij zult heden de landpale van Moab, Ar, doortrekken.
19En wanneer gij nadert tegenover de kinderen van Ammon, veroordeel hen niet, en laat u niet in met hen, want Ik zal u van het land der kinderen van Ammon geen bezitting geven, omdat Ik het aan de kinderen van Lot tot een bezitting gegeven heb.
20(Ook dat werd gerekend voor een land van reuzen; er woonden reuzen in van ouds, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten;
21Een groot, talrijk en lang volk, als de Enakieten; maar de HEER verdelgde hen voor hun aangezicht, en zij namen hun bezit in en woonden in hun plaats,
Zoals Hij gedaan heeft aan de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, toen Hij de Horieten voor hun aangezicht verdelgde, en zij namen hun bezit in en woonden in hun plaats tot op deze dag.
En de Avieten, die in Hazerim woonden tot Azza toe, werden door de Kaftorieten, die uit Kaftor kwamen, verdelgd, en dezen woonden in hun plaats.)
24Maakt u op, breekt op, en trekt over de beek Arnon. Zie, Ik heb Sihon, de Amoriet, koning van Hesbon, en zijn land in uw hand gegeven; begin het in bezit te nemen, en voer strijd met hem.
25Te dezen dage zal Ik beginnen uw verschrikking en uw vrees te leggen op de volken onder de ganse hemel, die uw gerucht zullen horen, en zij zullen beven en zich angstig maken vanwege uw aangezicht.
26Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemoth tot Sihon, koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:
27Laat mij door uw land trekken; ik zal steeds op de gebaande weg gaan, ik zal niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand.