Terug naar Deuteronomium 2
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 2:26

Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemoth tot Sihon, koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 2 — omringende verzen

21

Een groot, talrijk en lang volk, als de Enakieten; maar de HEER verdelgde hen voor hun aangezicht, en zij namen hun bezit in en woonden in hun plaats,

22

Zoals Hij gedaan heeft aan de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, toen Hij de Horieten voor hun aangezicht verdelgde, en zij namen hun bezit in en woonden in hun plaats tot op deze dag.

23

En de Avieten, die in Hazerim woonden tot Azza toe, werden door de Kaftorieten, die uit Kaftor kwamen, verdelgd, en dezen woonden in hun plaats.)

24

Maakt u op, breekt op, en trekt over de beek Arnon. Zie, Ik heb Sihon, de Amoriet, koning van Hesbon, en zijn land in uw hand gegeven; begin het in bezit te nemen, en voer strijd met hem.

25

Te dezen dage zal Ik beginnen uw verschrikking en uw vrees te leggen op de volken onder de ganse hemel, die uw gerucht zullen horen, en zij zullen beven en zich angstig maken vanwege uw aangezicht.

26

Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemoth tot Sihon, koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:

27

Laat mij door uw land trekken; ik zal steeds op de gebaande weg gaan, ik zal niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand.

28

Gij zult mij spijs voor geld verkopen, opdat ik ete, en gij zult mij water voor geld geven, opdat ik drinke; alleenlijk, ik zal te voet doortrekken,

29

(Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben), totdat ik over de Jordaan zal getrokken zijn, naar het land dat de HEER, onze God, ons geeft.

30

Maar Sihon, koning van Hesbon, wilde ons niet door zijn gebied laten trekken, want de HEER, uw God, had zijn geest verhard en zijn hart verstokt, opdat Hij hem in uw hand zou geven, gelijk het te dezen dage is.

31

En de HEER zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor u te geven; begin het te bezitten, opdat gij zijn land erft.