Deuteronomium 2:30
“Maar Sihon, koning van Hesbon, wilde ons niet door zijn gebied laten trekken, want de HEER, uw God, had zijn geest verhard en zijn hart verstokt, opdat Hij hem in uw hand zou geven, gelijk het te dezen dage is.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 2 — omringende verzen
Te dezen dage zal Ik beginnen uw verschrikking en uw vrees te leggen op de volken onder de ganse hemel, die uw gerucht zullen horen, en zij zullen beven en zich angstig maken vanwege uw aangezicht.
26Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemoth tot Sihon, koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:
27Laat mij door uw land trekken; ik zal steeds op de gebaande weg gaan, ik zal niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand.
28Gij zult mij spijs voor geld verkopen, opdat ik ete, en gij zult mij water voor geld geven, opdat ik drinke; alleenlijk, ik zal te voet doortrekken,
29(Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben), totdat ik over de Jordaan zal getrokken zijn, naar het land dat de HEER, onze God, ons geeft.
Maar Sihon, koning van Hesbon, wilde ons niet door zijn gebied laten trekken, want de HEER, uw God, had zijn geest verhard en zijn hart verstokt, opdat Hij hem in uw hand zou geven, gelijk het te dezen dage is.
En de HEER zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor u te geven; begin het te bezitten, opdat gij zijn land erft.
32Toen trok Sihon uit ons tegemoet, hij en zijn ganse volk, tot den strijd bij Jahaz.
33En de HEER, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en zijn ganse volk.
34En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbannen alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.
35Alleen het vee roofden wij voor ons, en den buit der steden, die wij innamen.