Deuteronomium 2:36
“Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, en de stad, die aan de beek is, tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te sterk was; de HEER, onze God, gaf alles voor ons aangezicht.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 2 — omringende verzen
En de HEER zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor u te geven; begin het te bezitten, opdat gij zijn land erft.
32Toen trok Sihon uit ons tegemoet, hij en zijn ganse volk, tot den strijd bij Jahaz.
33En de HEER, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en zijn ganse volk.
34En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbannen alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.
35Alleen het vee roofden wij voor ons, en den buit der steden, die wij innamen.
Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, en de stad, die aan de beek is, tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te sterk was; de HEER, onze God, gaf alles voor ons aangezicht.
Alleen tot het land der kinderen van Ammon kwaamt gij niet, noch tot enige plaats aan de beek Jabbok, noch tot de steden op het gebergte, noch tot al wat de HEER, onze God, ons verboden had.