Deuteronomium 2:37
“Alleen tot het land der kinderen van Ammon kwaamt gij niet, noch tot enige plaats aan de beek Jabbok, noch tot de steden op het gebergte, noch tot al wat de HEER, onze God, ons verboden had.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 2 — omringende verzen
Toen trok Sihon uit ons tegemoet, hij en zijn ganse volk, tot den strijd bij Jahaz.
33En de HEER, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en zijn ganse volk.
34En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbannen alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.
35Alleen het vee roofden wij voor ons, en den buit der steden, die wij innamen.
36Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, en de stad, die aan de beek is, tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te sterk was; de HEER, onze God, gaf alles voor ons aangezicht.
Alleen tot het land der kinderen van Ammon kwaamt gij niet, noch tot enige plaats aan de beek Jabbok, noch tot de steden op het gebergte, noch tot al wat de HEER, onze God, ons verboden had.