Deuteronomium 2:4
“En gebied het volk, zeggende: U zult door het gebied trekken van uw broeders, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en zij zullen voor u vrezen. Neemt daarom goed in acht:”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 2 — omringende verzen
Toen keerden wij ons om en trokken naar de woestijn, langs de weg van de Schelfzee, zoals de HEER tot mij gesproken had; en wij trokken vele dagen rond het gebergte Seïr.
2En de HEER sprak tot mij, zeggende:
3U hebt lang genoeg rond dit gebergte getrokken; keer u naar het noorden.
En gebied het volk, zeggende: U zult door het gebied trekken van uw broeders, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en zij zullen voor u vrezen. Neemt daarom goed in acht:
begin geen strijd met hen, want Ik zal u van hun land niets geven, zelfs geen voetbreedte, want Ik heb het gebergte Seïr aan Ezau tot een bezitting gegeven.
6U zult voedsel van hen kopen voor geld, opdat u kunt eten, en ook water zult u van hen kopen voor geld, opdat u kunt drinken.
7Want de HEER, uw God, heeft u gezegend in al het werk van uw hand; Hij kent uw tochten door deze grote woestijn. Deze veertig jaren is de HEER, uw God, met u geweest; het heeft u aan niets ontbroken.
8En toen wij voorbij onze broeders, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, getrokken waren, langs de weg van de vlakte, van Elath en van Ezeon-Geber, keerden wij ons om en trokken langs de weg van de woestijn van Moab.
9En de HEER zei tot mij: Val de Moabieten niet lastig en begin geen strijd met hen, want Ik zal u van hun land niets tot bezitting geven, want Ik heb Ar aan de kinderen van Lot tot bezitting gegeven.