Terug naar Deuteronomium 29
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 29:18

Opdat er onder u geen man of vrouw, geen familie of stam zij, wiens hart heden afwijkt van de HEER onze God, om te gaan dienen de goden van die volken; opdat er onder u geen wortel zij die gal en alsem voortbrengt;

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 29 — omringende verzen

13

Opdat Hij u heden tot een volk voor Zichzelf bevestige, en opdat Hij u tot een God zij, zoals Hij u gezegd heeft en zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, Abraham, Izak en Jakob.

14

En niet alleen met u maak Ik dit verbond en deze eed;

15

Maar ook met hem die heden hier bij ons staat voor de HEER onze God, en ook met hem die heden niet hier bij ons is;

16

(Want gij weet hoe wij in het land Egypte gewoond hebben en hoe wij door de volken getrokken zijn waardoor gij doorgegaan zijt;

17

En gij hebt hun gruwelen gezien en hun afgoden van hout en steen, van zilver en goud, die bij hen waren;)

18

Opdat er onder u geen man of vrouw, geen familie of stam zij, wiens hart heden afwijkt van de HEER onze God, om te gaan dienen de goden van die volken; opdat er onder u geen wortel zij die gal en alsem voortbrengt;

19

En het zal geschieden, wanneer hij de woorden van deze vervloeking hoort, dat hij zichzelf in zijn hart zegent en zegt: Ik zal vrede hebben, hoewel ik wandel in de verharding mijns harten, om de dronkenschap bij de dorst te voegen;

20

De HEER zal hem niet sparen, maar dan zal de toorn des HEREN en Zijn ijver roken tegen die man, en alle vervloekingen die in dit boek geschreven zijn zullen op hem rusten, en de HEER zal zijn naam van onder de hemel uitwissen.

21

En de HEER zal hem afzonderen tot onheil uit alle stammen van Israël, naar alle vervloekingen van het verbond die in dit wetboek geschreven zijn.

22

Zodat de volgende generatie, uw kinderen die na u opstaan, en de vreemdeling die uit een ver land komt, zullen zeggen, wanneer zij de plagen van dat land en de ziekten zien die de HEER daarin gelegd heeft;

23

En dat het gehele land ervan zwavel en zout is en een brandende woestenij, dat het niet bezaaid wordt, noch vrucht draagt, noch enig gras daarin opkomt, gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adma en Zeboïm, die de HEER omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;